De onbreekbare band met de gevallen mensheid
Bijna tweeduizend jaar geleden werd er in de hemel, vanaf de troon van God, een stem met een mysterieuze betekenis gehoord: “Slachtoffers en gaven heeft U niet gewild, maar U heeft Mij een lichaam bereid. Zie, Ik kom, in de boekrol staat over Mij geschreven, om Uw wil te doen, o God” (Hebr. 10:5-7). In deze woorden wordt de vervulling aangekondigd van het voornemen dat vanaf eeuwige tijden verborgen was gebleven. Christus stond op het punt onze wereld te bezoeken en mens te worden. Hij zegt dat een lichaam voor Hem bereid was. Als Hij was verschenen met de heerlijkheid die Hij bij de Vader had voordat de wereld bestond, hadden wij het licht van Zijn aanwezigheid niet kunnen verdragen. Opdat wij het zouden kunnen aanschouwen zonder te worden vernietigd, werd de openbaring van Zijn heerlijkheid verborgen. Zijn goddelijkheid werd bedekt door menselijkheid — de onzichtbare heerlijkheid in de zichtbare menselijke gedaante.
Dit grote voornemen was een voorafschaduwing, die werd uitgebeeld in typen en symbolen. De brandende braamstruik, waarin Christus aan Mozes verscheen, openbaarde God. Het symbool dat gekozen was om de Godheid weer te geven, was een eenvoudige struik die ogenschijnlijk geen aantrekkingskracht had. Hierin lag de Oneindige besloten. De barmhartige God omhulde Zijn heerlijkheid in een uiterst bescheiden verschijningsvorm, zodat Mozes ernaar kon kijken en bleef leven. Op dezelfde manier communiceerde God met Israël in de wolkkolom overdag en de vuurkolom ‘s nachts; Hij openbaarde aan de mensen Zijn wil en schonk hen Zijn genade. Gods heerlijkheid was gedempt en Zijn majesteit versluierd, zodat het zwakke gezichtsvermogen van sterfelijke mensen het kon verdragen.
Zo zou ook Christus komen in “het lichaam van onze vernedering” (Filipp. 3:21, ARV), “gelijk aan de mensen”(Filipp. 2:7). In de ogen van de wereld bezat Hij geen schoonheid die hen naar Hem zou doen verlangen; en toch was Hij de mensgeworden God, het licht van hemel en aarde. Zijn heerlijkheid was versluierd, Zijn grootheid en majesteit waren verborgen, zodat Hij bedroefde, beproefde mensen nabij kon zijn.
God droeg Mozes ten behoeve van Israël op: “Laat hen voor Mij een heiligdom maken, zodat Ik in hun midden kan wonen” (Ex. 25:8), en Hij verbleef in het heiligdom, te midden van Zijn volk. Tijdens al hun vermoeiende zwerftochten in de woestijn was het symbool van Zijn aanwezigheid bij hen. Zo zette ook Christus Zijn tabernakel op in het midden van ons menselijke kamp. Hij sloeg Zijn tent op naast de tenten van de mensen, zodat Hij in ons midden kon wonen en ons vertrouwd kon maken met Zijn goddelijke karakter en leven. “Het Woord werd vlees en sloeg Zijn tent op in ons midden (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid.” (Joh. 1:14, ASV).
Sinds Jezus bij ons is komen wonen, weten we dat God bekend is met onze beproevingen en meevoelt met ons verdriet. Elke zoon en dochter van Adam mag begrijpen dat onze Schepper de Vriend van zondaars is. Want in elk onderricht van genade, elke belofte van vreugde, elke liefdesdaad en elke goddelijke aantrekkingskracht die in het aardse leven van de Heiland naar voren komt, zien we God met ons.
Kernpunten
• De vervulling van het eeuwige plan
Bijna tweeduizend jaar geleden werd vanaf Gods troon de uitvoering van een eeuwig, verborgen voornemen aangekondigd. Christus stond op het punt om onze wereld te bezoeken en een voor Hem bereid menselijk lichaam aan te nemen. In plaats van te verschijnen in Zijn verblindende hemelse majesteit, koos Hij ervoor om in een lichaam van onze vernedering Gods wil op aarde te volbrengen.
• De noodzaak van de goddelijke sluier
Als Christus was verschenen met de volle heerlijkheid die Hij vóór de schepping bij de Vader had, had de mens dit licht niet kunnen verdragen. Om te voorkomen dat sterfelijke wezens door Zijn aanwezigheid zouden worden vernietigd, werd Zijn majesteit bewust gedempt. Deze versluiering was noodzakelijk om een veilige ontmoeting tussen Hem en de mens mogelijk te maken. Hierdoor kon Hij bedroefde en beproefde mensen nabij zijn.
• Voorafschaduwingen in het Oude Testament
Dit grote voornemen om Gods heerlijkheid te hullen in bescheiden vormen werd al vroeg uitgebeeld in typen en symbolen. God openbaarde Zich aan Mozes in een eenvoudige braamstruik en leidde het volk Israël via een wolk- en vuurkolom. Ook gebood Hij de bouw van het aardse heiligdom, zodat het symbool van Zijn aanwezigheid te midden van hun zwerftochten kon verblijven.
• De Tabernakel van God
Zoals voorzegd sloeg Christus Zijn tent op naast de tenten van de mensen. Door deze tastbare nabijheid maakte Hij de mensheid persoonlijk vertrouwd met Gods goddelijke karakter en het hemelse leven. Sinds Jezus onder ons heeft gewoond, weten we dat onze Schepper meevoelt met al ons menselijke verdriet en onze beproevingen. In elke liefdesdaad en belofte van vreugde tijdens Zijn aardse leven zien we het ultieme bewijs dat God de Vriend van zondaars is.
De wet van zelfopoffering versus de wet van Satan
Volgend onderdeel van
“Wie is Jezus?”