De beproeving van het discipelschap

Wie heeft ons hart?

“Als iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping:
het oude is voorbijgegaan, zie, alles is nieuw geworden.”

2 Kor. 5:17

Het kan zijn dat iemand niet het exacte tijdstip of de exacte plaats kan aanwijzen, of de hele keten van omstandigheden in het bekeringsproces kan natrekken; maar dit bewijst niet dat hij onbekeerd is. Christus zei tegen Nicodemus: “De wind waait waarheen hij wil en u hoort zijn geluid, maar u weet niet vanwaar hij komt en waarheen hij gaat; zo is iedereen die uit de Geest geboren is” (Joh. 3:8).

Net als de wind, die onzichtbaar is maar waarvan de effecten duidelijk worden gezien en gevoeld, is de Geest van God in Zijn werk op het menselijk hart. Die vernieuwende kracht, die geen menselijk oog kan zien, verwekt een nieuw leven in de ziel; het schept een nieuw wezen naar het beeld van God. Hoewel het werk van de Geest stil en onmerkbaar is, zijn de effecten ervan overduidelijk. Als het hart vernieuwd is door de Geest van God, zal het leven van dit feit getuigen. Hoewel we niets kunnen doen om ons hart te veranderen of onszelf in harmonie met God te brengen, en hoewel we absoluut niet op onszelf of op onze goede werken moeten vertrouwen, zullen onze levens onthullen of de genade van God in ons woont. Er zal een verandering te zien zijn in het karakter, de gewoonten en de levensdoelen. Het contrast zal helder en beslist zijn tussen wat men was en wat men nu is. Het karakter wordt geopenbaard, niet door incidentele goede daden en incidentele misstappen, maar door de richting van de dagelijkse woorden en daden.

Het is waar dat er een uiterlijk correct gedrag kan zijn zonder de vernieuwende kracht van Christus. De liefde voor invloed en het verlangen naar de achting van anderen kunnen een uiterlijk geordend leven voortbrengen. Zelfrespect kan ons ertoe leiden de schijn van het kwaad te vermijden. Een zelfzuchtig hart kan genereuze daden verrichten. Aan de hand van welke middelen zullen we dan vaststellen aan wiens kant we staan?

Wie heeft ons hart? Bij wie zijn onze gedachten? Over wie spreken we graag? Wie heeft onze warmste genegenheid en onze beste krachten? Als we van Christus zijn, zijn onze gedachten bij Hem, en onze dierbaarste gedachten gaan over Hem. Alles wat we hebben en zijn, is aan Hem toegewijd. We verlangen ernaar Zijn beeld te dragen, Zijn Geest te ademen, Zijn wil te doen en Hem in alle dingen te behagen.

Zij die een nieuwe schepping worden in Christus Jezus, zullen de vrucht van de Geest voortbrengen: “liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, zelfbeheersing” (Gal. 5:22). Zij zullen zich niet langer voegen naar de begeerten van weleer, maar door het geloof in de Zoon van God zullen zij in Zijn voetsporen treden, Zijn karakter weerspiegelen en zichzelf reinigen, evenals Hij rein is. De dingen die zij ooit haatten, hebben zij nu lief, en de dingen die zij ooit liefhadden, haten zij. Wie trots en geldingsdrang had, wordt zachtmoedig en nederig van hart. Wie ijdel en hoogmoedig was, wordt ernstig en bescheiden. De dronkaard wordt nuchter en wie losbandig leefde, wordt rein. De ijdele gewoonten en modegrillen van de wereld worden afgelegd. Christenen zullen niet zoeken naar “uiterlijk vertoon”, maar naar “de verborgen mens van het hart, met het onvergankelijke sieraad van een zachtmoedige en stille geest” (1 Petr. 3:3, 4).

Er is geen bewijs van oprecht berouw tenzij dit reformatie bewerkt. Als de zondaar het pand teruggeeft, het geroofde vergoedt, zijn zonden belijdt en God en zijn medemens liefheeft, mag hij er zeker van zijn dat hij is overgegaan van de dood naar het leven.

Wanneer wij, als feilbare en zondige wezens, tot Christus komen en deelgenoten worden van Zijn vergevende genade, ontspringt er liefde in het hart. Elke last is licht, want het juk dat Christus oplegt is zacht. Plicht wordt een vreugde en offers brengen een genoegen. Het pad dat voorheen in duisternis gehuld leek, wordt helder verlicht door de stralen van de Zon der gerechtigheid.

De lieflijkheid van het karakter van Christus zal zichtbaar worden in Zijn navolgers. Het was Zijn diepste vreugde om de wil van God te doen. Liefde tot God en ijver voor Zijn eer waren de sturende kracht in het leven van onze Zaligmaker. Liefde versierde en veredelde al Zijn daden. Liefde is uit God. Het ongewijde hart kan deze niet voortbrengen of creëren. Zij is alleen te vinden in het hart waar Jezus regeert. “Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad” (1 Joh. 4:19). In het hart dat door goddelijke genade is vernieuwd, is liefde de drijfveer van elke handeling. Zij vormt het karakter, beheerst de impulsen, controleert de hartstochten, bedwingt vijandschap en veredelt de genegenheden. Wanneer deze liefde in de ziel wordt gekoesterd, maakt zij het leven zoet en verspreidt zij een louterende invloed op iedereen in de omgeving.

De twee dwalingen

Er zijn twee dwalingen voor welke de kinderen van God — in het bijzonder zij die net op Zijn genade zijn gaan vertrouwen — zich heel specifiek voor moeten hoeden. De eerste, waar al eerder bij is stilgestaan, is het kijken naar de eigen werken; het vertrouwen op iets wat zij zelf kunnen doen om zichzelf in harmonie met God te brengen. Wie probeert heilig te worden door zijn eigen inspanningen om de wet te houden, probeert het onmogelijke. Alles wat de mens zonder Christus kan doen, is bezoedeld met zelfzucht en zonde. Het is uitsluitend de genade van Christus, door het geloof, die ons heilig kan maken.

De tegenovergestelde en net zo gevaarlijke dwaling is, dat het geloof in Christus de mens ontslaat van het houden van de wet van God; dat, aangezien we louter door geloof deelgenoten worden van de genade van Christus, onze werken niets te maken hebben met onze verlossing.

Maar merk hierbij op dat gehoorzaamheid niet louter een uiterlijke instemming is, maar een dienst van liefde. De wet van God is een uitdrukking van Zijn werkelijke natuur; zij is een belichaming van het grote principe van de liefde en daarom het fundament van Zijn regering in de hemel en op aarde. Als ons hart vernieuwd is naar de gelijkenis van God, als de goddelijke liefde in de ziel is geplant, zal de wet van God dan niet in het leven tot uiting komen? Wanneer het principe van de liefde in het hart is geplant, wanneer de mens vernieuwd is naar het beeld van Hem Die hem geschapen heeft, wordt de belofte van het nieuwe verbond vervuld: “Ik zal Mijn wetten in hun hart geven en Ik zal die in hun verstand schrijven” (Heb. 10:16). En als de wet in het hart geschreven staat, zal die dan niet het leven vormen?

Gehoorzaamheid — de dienst en de trouw van de liefde — is het ware kenmerk van de navolging. Daarom zegt de Schrift: “Want dit is de liefde tot God, dat wij Zijn geboden in acht nemen.” “Wie zegt: Ik ken Hem, en Zijn geboden niet in acht neemt, is een leugenaar en in hem is de waarheid niet” (1 Joh. 5:3; 2:4). In plaats van de mens te ontslaan van gehoorzaamheid, is het juist het geloof, en uitsluitend het geloof, dat ons deelgenoot maakt van de genade van Christus, die ons in staat stelt om gehoorzaamheid te tonen.

We verdienen onze redding niet door onze gehoorzaamheid; want redding wordt ons gegeven als gave van God, die door geloof aangenomen moet worden. Maar gehoorzaamheid is wel de vrucht van het geloof. “En u weet dat Hij geopenbaard is om onze zonden weg te nemen; en zonde is er in Hem niet. Ieder die in Hem blijft, zondigt niet; ieder die zondigt, heeft Hem niet gezien en heeft Hem niet gekend” (1 Joh. 3:5, 6). Hier ligt de ware toets. Als we in Christus blijven, als de liefde van God in ons woont, dan zullen onze gevoelens, onze gedachten, onze plannen en onze daden in harmonie zijn met de wil van God, zoals die tot uiting komt in de voorschriften van Zijn heilige wet. “Lieve kinderen, laat niemand u misleiden: wie de rechtvaardigheid doet, is rechtvaardig, zoals Hij rechtvaardig is” (1 Joh. 3:7). Rechtvaardigheid wordt gedefinieerd naar de maatstaf van Gods heilige wet, zoals die tot uiting komt in de tien geboden die op Sinaï zijn gegeven.

Dat zogenaamde geloof in Christus dat beweert de mens te ontslaan van de plicht tot gehoorzaamheid aan God, is geen geloof, maar inbeelding. “Want uit genade bent u zalig geworden, door het geloof.” Maar “het geloof, als het geen werken heeft, is in zichzelf dood” (Ef. 2:8; Jak. 2:17). Jezus zei over Zichzelf voordat Hij naar de aarde kwam: “Ik vind er vreugde in om Uw wil te doen, o Mijn God; ja, Uw wet is in Mijn hart.” (Ps. 40:9). En vlak voordat Hij weer opvoer naar de hemel, verklaarde Hij: “Ik heb de geboden van Mijn Vader in acht genomen en blijf in Zijn liefde” (Joh. 15:10). De Schrift zegt: “En hierdoor weten wij dat wij Hem kennen, namelijk als we Zijn geboden in acht nemen. Wie zegt in Hem te blijven, moet ook zelf zo wandelen als Hij gewandeld heeft” (1 Joh. 2:3-6). “Omdat ook Christus voor ons geleden heeft; Hij laat ons zo een voorbeeld na, opdat u Zijn voetsporen zou navolgen” (1 Petr. 2:21).

De voorwaarde voor het eeuwige leven is nu nog precies hetzelfde als zij altijd is geweest — precies zoals zij in het paradijs was vóór de zondeval van onze eerste ouders — namelijk volmaakte gehoorzaamheid aan de wet van God, volmaakte rechtvaardigheid. Als het eeuwige leven zou worden verleend op basis van een lagere voorwaarde dan deze, dan zou het geluk van het hele universum in gevaar komen. De weg zou openstaan om de zonde, met heel haar gevolg van leed en ellende, onsterfelijk te maken.

De uitweg

Vóór de zondeval was het voor Adam mogelijk om door gehoorzaamheid aan Gods wet een rechtvaardig karakter te vormen. Maar hij faalde hierin, en vanwege zijn zonde is onze natuur gevallen en kunnen we onszelf niet rechtvaardig maken. Omdat we zondig en onheilig zijn, kunnen we de heilige wet niet volmaakt gehoorzamen. We hebben van onszelf geen rechtvaardigheid waarmee we aan de eisen van de wet van God kunnen voldoen. Maar Christus heeft een uitweg voor ons gemaakt. Hij leefde op aarde te midden van beproevingen en verleidingen zoals wij die ook het hoofd moeten bieden. Hij leidde een zondeloos leven. Hij stierf voor ons, en nu biedt Hij aan onze zonden op Zich te nemen en ons Zijn rechtvaardigheid te geven. Als u uzelf aan Hem geeft en Hem aanvaardt als uw Zaligmaker, dan wordt u — hoe zondig uw leven ook geweest mag zijn — om Zijnentwil als rechtvaardig beschouwd. Het karakter van Christus treedt in de plaats van uw karakter, en u wordt voor God aanvaard alsof u niet gezondigd had.

Meer nog dan dit: Christus verandert het hart. Hij woont in uw hart door het geloof. U moet deze verbinding met Christus in stand houden door geloof en door de voortdurende overgave van uw wil aan Hem; en zolang u dit doet, zal Hij in u werken zowel het willen als het werken naar Zijn welbehagen. Zo kunt u zeggen: “Het leven dat ik nu in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, Die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven” (Gal. 2:20). Zo zei Jezus ook tegen Zijn discipelen: “Want u bent het niet die spreekt, maar het is de Geest van uw Vader Die in u spreekt” (Matt. 10:20). Wanneer Christus zo in u werkt, zult u dezelfde geest openbaren en dezelfde goede werken doen — werken van rechtvaardigheid en gehoorzaamheid.

Zo hebben we in onszelf niets om ons op te beroemen. We hebben geen enkele grond voor zelfverheffing. Onze enige grond van hoop ligt in de rechtvaardigheid van Christus die ons wordt toegerekend, en in de rechtvaardigheid die door Zijn Geest in en door ons wordt uitgewerkt.

Wanneer we over geloof spreken, is er een onderscheid dat we in gedachte moeten houden. Er is een soort geloof dat totaal verschilt van het ware, levende geloof. Het bestaan en de kracht van God, en de waarheid van Zijn Woord, zijn feiten die zelfs satan en zijn legermachten diep in hun hart niet kunnen ontkennen. De Bijbel zegt dat “ook de demonen geloven, en zij sidderen” (Jak. 2:19); maar dat is geen geloof. Waar er niet alleen een geloof is in Gods Woord, maar ook een onderwerping van de wil aan Hem; waar het hart aan Hem is overgegeven en de genegenheid op Hem is gericht, dáár is geloof — geloof dat door de liefde werkt en de ziel reinigt. Door dit geloof wordt het hart vernieuwd naar het beeld van God. En het hart dat in zijn oude, onveranderde staat weigerde te luisteren naar de wet van God, en dat trouwens ook niet kon, schept nu behagen in haar heilige voorschriften en roept met de psalmist uit: “Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn overdenking de hele dag” (Ps. 119:97). En de rechtvaardigheid van de wet wordt in ons vervuld, “die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest” (Rom. 8:1).

Er zijn mensen die de vergevende liefde van Christus hebben gekend en die werkelijk verlangen om kinderen van God te zijn, maar die tegelijkertijd beseffen dat hun karakter onvolmaakt is en hun leven vol fouten zit; zij zijn snel geneigd te twijfelen of hun hart wel door de Heilige Geest is vernieuwd. Tegen hen zou ik willen zeggen: Deins niet in wanhoop terug. We zullen ons nog vaak in tranen moeten buigen aan de voeten van Jezus vanwege onze tekortkomingen en fouten, maar we moeten niet ontmoedigd raken. Zelfs als we door de vijand worden overwonnen, zijn we niet verstoten, niet door God verlaten en verworpen. Nee; Christus is aan de rechterhand van God, en Hij pleit ook voor ons. De geliefde Johannes zei: “Deze dingen schrijf ik u, opdat u niet zondigt. En als iemand gezondigd heeft: wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige” (1 Joh. 2:1). En vergeet de woorden van Christus niet: “Want de Vader Zelf heeft u lief” (Joh. 16:27). Hij verlangt ernaar de relatie met u te herstellen, om Zijn eigen zuiverheid en heiligheid in u weerspiegeld te zien. En als u uzelf maar aan Hem wilt overgeven, zal Hij Die een goed werk in u begonnen is, dit voltooien tot op de dag van Jezus Christus. Bid vuriger; geloof vollediger. Wanneer we onze eigen kracht leren wantrouwen, laten we dan vertrouwen op de kracht van onze Verlosser, en we zullen Hem prijzen Die de redding van ons aangezicht is.

Hoe dichter u bij Jezus komt, des te gebrekkiger u in uw eigen ogen zult lijken; want uw blik zal scherper zijn en uw onvolmaaktheden zullen in helder en duidelijk contrast met Zijn volmaakte natuur zichtbaar worden. Dit is het bewijs dat de misleidingen van de satan hun macht hebben verloren en dat de levendmakende invloed van de Geest van God u wakker schudt.

Er kan geen diepgewortelde liefde voor Jezus wonen in een hart dat zijn eigen zondigheid niet beseft. De ziel die door de genade van Christus is veranderd, zal Zijn goddelijke karakter bewonderen; maar als we onze eigen morele misvorming niet inzien, is dat een onmiskenbaar bewijs dat we nog geen oog hebben gehad voor de schoonheid en voortreffelijkheid van Christus.

Hoe minder we in onszelf zien om te waarderen, des te meer zullen we zien om te waarderen in de oneindige zuiverheid en lieflijkheid van onze Zaligmaker. Het zicht op onze zondigheid drijft ons naar Hem toe Die vergeving kan schenken; en wanneer de ziel, in het besef van haar hulpeloosheid, zich uitstrekt naar Christus, zal Hij Zich in kracht openbaren.

Hoe meer ons gevoel van nood ons naar Hem en naar het Woord van God drijft, des te verhevener ons zicht op Zijn karakter zal zijn, en des te volmaakter we Zijn beeld zullen weerspiegelen.



Scroll to Top
Home