Wat is belijdenis?

De voorwaarde
“Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn,
maar wie ze belijdt en verlaat, zal barmhartigheid verkrijgen.”
Spr. 28:13
De voorwaarden om Gods barmhartigheid te verkrijgen zijn eenvoudig, rechtvaardig en redelijk. De Heere verlangt niet van ons dat we iets loodzwaars doen om vergeving van zonden te ontvangen. We hoeven geen lange en vermoeiende bedevaarten te maken, of pijnlijke boetedoeningen te doen om onze ziel aan te bevelen bij de God van de hemel of om onze overtreding af te kopen; maar wie zijn zonde belijdt en nalaat, zal barmhartigheid ontvangen.
De apostel zegt: “Belijd elkaar de overtredingen en bid voor elkaar, opdat u gezond wordt” (Jak. 5:16). Belijd uw zonden aan God, Die alleen ze kan vergeven, en uw fouten aan elkaar. Als u uw vriend of naaste hebt gekwetst, moet u uw fout erkennen, en het is zijn plicht om u vrijmoedig te vergeven. Daarna moet u de vergeving van God zoeken, omdat de broeder die u hebt gekwetst het eigendom van God is; door hem te beschadigen, hebt u gezondigd tegen zijn Schepper en Verlosser. Deze zaak wordt gebracht voor de enige ware Middelaar, onze grote Hogepriester, Die “in alles op dezelfde wijze als wij verzocht is, maar zonder zonde”, en Die “medelijden kan hebben met onze zwakheden” en in staat is om ons te reinigen van elke vlek van ongerechtigheid. Heb. 4:15.
Degenen die hun ziel niet voor God hebben verootmoedigd door hun schuld te erkennen, hebben nog niet voldaan aan de eerste voorwaarde voor aanvaarding. Als we die bekering niet hebben ervaren waarover men nooit berouw krijgt, en als we niet met ware verootmoediging van de ziel en een gebroken geest onze zonden hebben beleden, terwijl we onze ongerechtigheid verafschuwen, dan hebben we nooit werkelijk gezocht naar de vergeving van zonden; en als we er nooit naar hebben gezocht, hebben we nooit de vrede van God gevonden. De enige reden waarom we geen vergeving hebben voor zonden uit het verleden, is dat we niet bereid zijn ons hart te verootmoedigen en te voldoen aan de voorwaarden van het Woord van de waarheid. Over deze zaak worden duidelijke instructies gegeven.
Hoe brengen wij onze belijdenis
De belijdenis van zonden, of deze nu in het openbaar in het verborgene gebeurt, moet van harte zijn en vrijmoedig worden uitgesproken. Het mag de zondaar niet worden opgedrongen. Het mag niet op een oppervlakkige en onverschillige manier gebeuren, of worden afgedwongen van degenen die geen reëel besef hebben van het afschuwelijke karakter van de zonde. De belijdenis die de uitstorting is van de diepste ziel, vindt haar weg naar de God van oneindig mededogen. De psalmist zegt:
“De HEERE is nabij degenen die gebroken van hart zijn,
Hij verlost degenen die verslagen van geest zijn.”
Ps. 34:19
Een ware belijdenis is altijd specifiek van aard en erkent concrete zonden. Deze kunnen zo van aard zijn dat ze alleen voor God gebracht hoeven te worden; het kunnen fouten zijn die beleden moeten worden aan personen die er schade door hebben geleden; of ze kunnen een openbaar karakter hebben en moeten dan ook net zo openlijk beleden worden. Maar elke belijdenis moet concreet en toegerust zijn, waarbij precies die zonden worden erkend waaraan u schuldig bent.
In de dagen van Samuel dwaalden de Israëlieten van God af. Zij droegen de gevolgen van de zonde; want zij hadden hun geloof in God verloren, evenals hun zicht op Zijn kracht en wijsheid om het volk te leiden, en hun vertrouwen in Zijn vermogen om Zijn zaak te verdedigen en te wreken. Zij keerden zich af van de grote Heerser van het universum en verlangden ernaar geregeerd te worden zoals de volken om hen heen. Voordat zij vrede vonden, deden zij deze specifieke belijdenis: “Wij hebben immers bij al onze zonden dit kwaad gedaan dat wij om een koning gevraagd hebben” (1 Sam. 12:19). Precies de zonde waarvan zij overtuigd waren, moest worden beleden. Hun ondankbaarheid drukte zwaar op hun ziel en scheidde hen van God.
Belijdenis is voor God niet aanvaardbaar zonder oprecht berouw en reformatie. Er moeten besliste veranderingen in het leven plaatsvinden; alles wat aanstootgevend is voor God moet worden weggedaan. Dit zal het resultaat zijn van oprecht verdriet over de zonde. Het werk dat wij van onze kant moeten doen, wordt ons duidelijk voorgehouden:
“Was u, reinig u, doe de slechtheid van uw daden van voor Mijn ogen weg,
houd op met kwaaddoen. Leer goed te doen, zoek het recht, help de onderdrukte,
doe de wees recht, sta de weduwe bij.”
Jes. 1:16, 17
“Als de goddeloze het pand teruggeeft, het geroofde vergoedt,
in de verordeningen van het leven wandelt door geen onrecht te doen,
zal hij zeker leven, hij zal niet sterven.”
Ezech. 33:15
Paulus zegt over het werk van bekering:
“Want zie, juist dit dat u bedroefd bent geworden overeenkomstig de wil van God,
wat een grote inzet heeft dat in u teweeggebracht!
Ja, wat een verdediging, ja, wat een verontwaardiging,
ja, wat een vrees, ja, wat een vurig verlangen, ja, wat een ijver, ja, wat een bestraffing!
In alles hebt u bewezen zelf in deze zaak rein te zijn.”
2 Kor. 7:11.
Wanneer de zonde de morele waarneming heeft afgestorven, ziet de overtreder de gebreken van zijn karakter niet meer in en beseft hij de omvang van het kwaad dat hij heeft begaan niet; en tenzij hij zich overgeeft aan de overtuigende kracht van de Heilige Geest, blijft hij gedeeltelijk blind voor zijn zonde. Zijn belijdenissen zijn dan niet oprecht en menens. Aan elke erkenning van zijn schuld voegt hij een verontschuldiging toe om zijn gedrag goed te praten, waarbij hij beweert dat hij — als bepaalde omstandigheden er niet waren geweest — dit of dat waarover hij wordt vermaand, nooit zou hebben gedaan.
Nadat Adam en Eva van de verboden vrucht hadden gegeten, werden zij vervuld met een gevoel van schaamte en angst. In het begin was hun enige gedachte hoe zij hun zonde konden goedpraten en aan het gevreesde doodvonnis konden ontsnappen. Toen de Heere naar hun zonde vroeg, antwoordde Adam door de schuld deels bij God en deels bij zijn metgezellin neer te leggen: “De vrouw die U gaf om bij mij te zijn, die heeft mij van die boom gegeven en ik heb ervan gegeten.” De vrouw schoof de schuld op de slang en zei: “De slang heeft mij bedrogen en ik heb ervan gegeten” (Gen. 3:12, 13). Waarom hebt U de slang gemaakt? Waarom hebt U hem toegestaan in Eden te komen? Dat waren de vragen die in haar verontschuldiging besloten lagen, waarmee ze God de verantwoordelijkheid gaf voor hun val.
De geest van zelfrechtvaardiging vond zijn oorsprong bij de vader van de leugen en is door alle zonen en dochters van Adam vertoond. Dit soort belijdenissen is niet geïnspireerd door de goddelijke Geest en zal voor God niet aanvaardbaar zijn. Ware bekering zal een mens ertoe brengen zijn schuld zelf te dragen en deze zonder bedrog of hypocrisie te erkennen. Net als de arme tollenaar, die zelfs zijn ogen niet naar de hemel durfde op te slaan, zal hij uitroepen: “O God, wees mij, zondaar, genadig”, en degenen die hun schuld zo erkennen, zullen gerechtvaardigd worden, want Jezus zal met Zijn bloed pleiten ten behoeve van de berouwvolle ziel.
De voorbeelden van oprecht berouw en verootmoediging in Gods Woord laten een geest van belijdenis zien waarin geen ruimte is voor verontschuldigingen of pogingen tot zelfrechtvaardiging. Paulus probeerde zichzelf niet te beschermen; hij schilderde zijn zonde in de donkerste kleuren af, zonder te proberen zijn schuld te verminderen. Hij zegt:
“Velen van de heiligen heb ik in de gevangenis opgesloten,
nadat ik de volmacht van de overpriesters gekregen had;
en als zij ter dood gebracht werden, stemde ik ermee in.
En in alle synagogen strafte ik hen dikwijls en dwong hen te lasteren;
en omdat ik buiten zinnen van woede tegen hen tekeerging,
vervolgde ik hen zelfs tot in de steden in het buitenland.”
Hand. 26:10, 11
Hij aarzelt niet om te verklaren dat:
“Christus Jezus in de wereld gekomen is om zondaars zalig te maken,
van wie ik de voornaamste ben.”
1 Tim. 1:15
Het nederige en gebroken hart, dat door oprecht berouw is verzacht, zal iets gaan begrijpen van de liefde van God en de prijs van Golgotha; en zoals een zoon zijn fouten belijdt aan een liefdevolle vader, zo zal wie werkelijk berouw heeft al zijn zonden voor God brengen. En er staat geschreven:
“Als wij onze zonden belijden:
Hij is getrouw en rechtvaardig
om ons de zonden te vergeven
en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.”
1 Joh. 1:9