Wie is Jezus?

De Eniggeboren Zoon van God

Wie is Christus? —Hij is de Eniggeboren Zoon van de levende God. Hij verhoudt Zich tot de Vader als een woord dat de gedachte uitdrukt, —als een gedachte die hoorbaar is gemaakt. Christus is het Woord van God. Christus zei tegen Filippus: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien.” Zijn woorden waren de echo van Gods woorden.

“Zijn naam zal Immanuel genoemd worden, vertaald betekent dat: God met ons.” “Het licht van de kennis van de heerlijkheid van God” is te zien “in het aangezicht van Jezus Christus”. Vanaf de dagen van de eeuwigheid was de Heere Jezus Christus één met de Vader; Hij was “het evenbeeld van God,” het evenbeeld van Zijn grootheid en majesteit, “de uitstraling van Zijn heerlijkheid.” Het was om deze heerlijkheid te tonen dat Hij naar onze wereld kwam. Naar deze door zonde verduisterde aarde kwam Hij om het licht van Gods liefde te openbaren — om “God met ons” te zijn. Daarom werd er over Hem geprofeteerd: “Zijn naam zal Immanuel genoemd worden.” (Matt. 1:23; 2 Kor. 4:4, 6; Hebr. 1:3; Jes. 7:14)

Door bij ons te komen wonen, zou Jezus God openbaren aan zowel mensen als engelen. Hij was het Woord van God — Gods gedachte hoorbaar gemaakt. In Zijn gebed voor Zijn volgelingen zegt Hij: “Ik heb hen Uw naam bekendgemaakt” “barmhartig en genadig, geduldig, en overvloedig in goedheid en waarheid” “opdat de liefde waarmee U Mij hebt liefgehad in hen mag zijn, en Ik in hen” (Joh. 17:26; Ex. 34:6). Maar deze openbaring werd niet alleen voor Zijn op aarde geboren kinderen gegeven. Onze kleine wereld is het leerboek van het universum. Gods wonderbaarlijke genadeplan, het mysterie van verlossende liefde, is het thema waarin “engelen verlangen in te zien” (1 Petr. 1:12), en het zal hun studie zijn door eindeloze eeuwen heen. Zowel de verlosten als de ongevallen wezens zullen in het kruis van Christus hun wetenschap en hun lied vinden. Men zal inzien dat de heerlijkheid die straalt in het gezicht van Jezus, de heerlijkheid is van zelfopofferende liefde. In het licht van Golgotha zal men inzien dat de wet van zelfverloochende liefde de levenswet is voor aarde en hemel; dat de liefde die “haar eigen belang niet zoekt” (1 Kor. 13:5) haar bron heeft in het hart van God; en dat in de zachtmoedige en nederige Persoon die Christus is, het karakter geopenbaard is van Hem die woont in een licht waar geen mens bij kan komen.”

In het begin werd God geopenbaard in alle scheppingswerken. Het was Christus die de hemel uitstrekte en de fundamenten van de aarde legde. Het was Zijn hand die de werelden in de ruimte ophing en de bloemen van het veld vormgaf. “Zijn kracht zet de bergen vast.” “De zee is van Hem, en Hij heeft haar gemaakt” (Ps. 65:6; 95:5). Hij was het die de aarde vulde met schoonheid en de lucht met gezang. En op alles op de aarde, in de lucht en aan de hemel schreef Hij de boodschap van de liefde van de Vader.

Hoewel de zonde Gods volmaakte werk nu heeft aangetast, blijft dat handschrift zichtbaar. Zelfs nu nog verkondigt alles wat geschapen is de heerlijkheid van Zijn voortreffelijkheid. Er is niets, behalve het zelfzuchtige hart van de mens, dat voor zichzelf leeft. Geen vogel die door de lucht klieft, geen dier dat zich over de grond beweegt, of het dient wel een ander leven. Er is geen blad in het bos, of nederig grassprietje, of het heeft zijn eigen taak. Elke boom, elke struik en elk blad stroomt over van dat levens element zonder welk mens, noch dier zou kunnen leven; en mens en dier dienen op hun beurt weer het leven van de boom, de struik en het blad. De bloemen verspreiden hun zoete geur en ontplooien hun schoonheid tot een zegening voor de wereld. De zon verspreidt haar licht om duizenden werelden te verblijden. De oceaan, die zelf de bron is van al onze bronnen en fonteinen, ontvangt de stromen uit elk land, maar neemt om te geven. De nevels die uit haar schoot opstijgen, vallen in buien neer om de aarde te besproeien, zodat deze vrucht kan dragen en uitlopen.

De hemelse engelen vinden hun vreugde in het geven — in het schenken van liefde en onvermoeibare zorg aan zielen die gevallen en onheilig zijn. Hemelse wezens streven naar het hart van de mens; zij brengen licht uit de hogere rechtszalen naar deze donkere wereld; door een zachtmoedige en geduldige toewijding werken zij in op de menselijke geest, om de verlorenen te brengen tot een verbondenheid met Christus die nog hechter is dan zijzelf ooit kunnen ervaren.

Het geheim van de incarnatie: Jezus onze Broeder

Maar als we voorbijgaan aan alle beperkte weergaven, zien we God in Jezus. Als we naar Jezus kijken, zien we dat het de heerlijkheid van onze God is om te geven. “Ik doe niets uit Mezelf,” zei Christus; “de levende Vader heeft Mij gezonden, en Ik leef door de Vader.” “Ik zoek Mijn eigen eer niet, maar de eer van Hem die Mij gezonden heeft.” (Joh. 8:28; 6:57; 8:50; 7:18). In deze woorden wordt het grote principe uiteengezet dat de levenswet is voor het universum. Alles ontving Christus van God, maar Hij nam om te geven. Zo gaat het ook in de hemelse hoven, in Zijn dienstbetoon voor alle geschapen wezens: via de geliefde Zoon stroomt het leven van de Vader naar iedereen uit; en via de Zoon keert het — in lofprijzing en vreugdevolle dienst — als een vloedgolf van liefde terug naar de grote Bron van alles. En zo is via Christus de kringloop van goedertierenheid compleet, wat het karakter van de grote Gever, de wet van het leven, weerspiegelt.

Maar in de hemel werd deze wet gebroken. De zonde vond haar oorsprong in zelfzucht. Lucifer, de beschermende cherub, wilde de eerste zijn in de hemel. Hij probeerde de controle te krijgen over de hemelse wezens, hen weg te trekken van hun Schepper en hun eerbetoon voor zichzelf op te eisen. Daarom schetste hij een verkeerd beeld van God, alsof God alleen maar op zoek was naar macht en eer voor Zichzelf. Hij probeerde de liefdevolle Schepper te bekleden met zijn eigen slechte karaktereigenschappen. Op deze manier misleidde hij engelen. Op deze manier misleidde hij mensen. Hij bracht hen ertoe te twijfelen aan het woord van God en Zijn goedheid te wantrouwen. Omdat God een God is van gerechtigheid en ontzagwekkende majesteit, liet Satan hen naar Hem kijken als streng en onvergeeflijk. Zo trok hij een deel van Gods engelen en daarna de mensen mee in zijn opstand tegen God, en daalde de nacht van rampspoed neer over de wereld.

De aarde was in duisternis gehuld door een verkeerd beeld van God. Om de sombere schaduwen te verdrijven en de wereld terug te brengen bij God, moest Satans misleidende macht worden gebroken. Dit kon niet door middel van dwang gebeuren. Het gebruik van zo’n kracht is in strijd met de principes van Gods bestuur; Hij verlangt alleen naar een dienst die voortkomt uit liefde, en liefde laat zich niet bevelen. Het kan niet worden afgedwongen door macht of gezag. Liefde wordt uitsluitend door liefde opgewekt. God kennen betekent Hem liefhebben; Zijn karakter moest zichtbaar worden in scherpe tegenstelling tot het karakter van Satan. Dit werk kon door slechts één Wezen in het hele universum worden gedaan. Alleen Hij die de hoogte en diepte van Gods liefde kende, kon deze liefde bekendmaken. Boven de donkere nacht van de wereld moest de “Zon der Gerechtigheid opgaan, met genezing onder Zijn vleugels (Mal. 4:2)

Het plan voor onze redding was geen achteraf bedacht plan, een plan dat pas werd geformuleerd na de val van Adam. Het was een openbaring van “het mysterie dat door de eeuwen heen in stilte bewaard is gebleven” (Rom. 16:25, ASV). Het was een ontvouwing van de principes die vanaf eeuwige tijden het fundament van Gods troon vormen. Vanaf het begin wisten God en Christus van de afvalligheid van Satan en van de val van de mens door de misleidende macht van de afvallige. God heeft niet bepaald dat de zonde moest bestaan, maar Hij voorzag het bestaan ervan en trof voorzieningen om deze vreselijke noodsituatie het hoofd te bieden. Zo groot was Zijn liefde voor de wereld, dat Hij een verbond aanging om Zijn eniggeboren Zoon te geven, “opdat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft” (Joh. 3:16).

Lucifer had gezegd: “Ik zal opstijgen naar de hemel, ik zal mijn troon verheffen boven de sterren van God; ik zal ook plaatsnemen op de berg van de samenkomst, aan de zijden van het noorden.” “Ik zal opstijgen boven de hoogten van de wolken; ik zal gelijk zijn aan de Allerhoogste” (Jes. 14:13, 14). Maar Christus, die in de gedaante van God bestond, en het aan God gelijk zijn niet beschouwde als iets om aan vast te klampen, ontledigde Zichzelf en nam de gedaante van een dienstknecht aan en werd aan de mensen gelijk.” (Filipp. 2:6, 7 (ASV).

Dit was een vrijwillig offer. Jezus had aan de zijde van de Vader kunnen blijven. Hij had de heerlijkheid van de hemel en het eerbetoon van de engelen kunnen behouden. Maar Hij koos ervoor om de scepter weer in de handen van de Vader te leggen en af te treden van de troon van het universum, zodat Hij licht kon brengen aan hen die in duisternis verkeren, en leven aan hen die verloren gaan.

De onbreekbare band met de gevallen mensheid

Bijna tweeduizend jaar geleden werd er in de hemel, vanaf de troon van God, een stem met een mysterieuze betekenis gehoord: “Slachtoffers en gaven heeft U niet gewild, maar U heeft Mij een lichaam bereid. Zie, Ik kom, in de boekrol staat over Mij geschreven, om Uw wil te doen, o God” (Hebr. 10:5-7). In deze woorden wordt de vervulling aangekondigd van het voornemen dat vanaf eeuwige tijden verborgen was gebleven. Christus stond op het punt onze wereld te bezoeken en mens te worden. Hij zegt dat een lichaam voor Hem bereid was. Als Hij was verschenen met de heerlijkheid die Hij bij de Vader had voordat de wereld bestond, hadden wij het licht van Zijn aanwezigheid niet kunnen verdragen. Opdat wij het zouden kunnen aanschouwen zonder te worden vernietigd, werd de openbaring van Zijn heerlijkheid verborgen. Zijn goddelijkheid werd bedekt door menselijkheid — de onzichtbare heerlijkheid in de zichtbare menselijke gedaante.

Dit grote voornemen was een voorafschaduwing, die werd uitgebeeld in typen en symbolen. De brandende braamstruik, waarin Christus aan Mozes verscheen, openbaarde God. Het symbool dat gekozen was om de Godheid weer te geven, was een eenvoudige struik die ogenschijnlijk geen aantrekkingskracht had. Hierin lag de Oneindige besloten. De barmhartigste God omhulde Zijn heerlijkheid in een uiterst bescheiden verschijningsvorm, zodat Mozes ernaar kon kijken en bleef leven. Op dezelfde manier communiceerde God met Israël in de wolkkolom overdag en de vuurkolom ‘s nachts; Hij openbaarde aan de mensen Zijn wil en schonk hen Zijn genade. Gods heerlijkheid was gedempd en Zijn majesteit versluierd, zodat het zwakke gezichtsvermogen van sterfelijke mensen het kon verdragen. Zo zou ook Christus komen in “het lichaam van onze vernedering” (Filipp. 3:21, ARV), “gelijk aan de mensen”(Filipp. 2:7). In de ogen van de wereld bezat Hij geen schoonheid die hen naar Hem zou doen verlangen; en toch was Hij de mensgeworden God, het licht van hemel en aarde. Zijn heerlijkheid was versluierd, Zijn grootheid en majesteit waren verborgen, zodat Hij bedroefde, beproefde mensen nabij kon zijn.

God droeg Mozes ten behoeve van Israël op: “Laat hen voor Mij een heiligdom maken, zodat Ik in hun midden kan wonen” (Ex. 25:8), en Hij verbleef in het heiligdom, te midden van Zijn volk. Tijdens al hun vermoeiende zwerftochten in de woestijn was het symbool van Zijn aanwezigheid bij hen. Zo zette ook Christus Zijn tabernakel op in het midden van ons menselijke kamp. Hij sloeg Zijn tent op naast de tenten van de mensen, zodat Hij in ons midden kon wonen en ons vertrouwd kon maken met Zijn goddelijke karakter en leven. “Het Woord werd vlees en sloeg Zijn tent op in ons midden (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid.” (Joh. 1:14, ASV).

Sinds Jezus bij ons is komen wonen, weten we dat God bekend is met onze beproevingen en meevoelt met ons verdriet. Elke zoon en dochter van Adam mag begrijpen dat onze Schepper de vriend van zondaars is. Want in elk onderricht van genade, elke belofte van vreugde, elke liefdesdaad en elke goddelijke aantrekkingskracht die in het aardse leven van de Heiland naar voren komt, zien we God met ons.

De wet van zelfopoffering versus de wet van Satan

Satan stelt Gods wet van liefde voor als een wet van zelfzucht. Hij beweert dat het voor ons onmogelijk is om de voorschriften ervan op te volgen. De val van onze eerste ouders, met al de rampspoed die daaruit is voortgevloeid, schuift hij af op de Schepper. Hierdoor brengt hij mensen ertoe om God te zien als de veroorzaker van zonde, lijden en de dood. Jezus zou deze misleiding onthullen. Als een van ons zou Hij een voorbeeld van gehoorzaamheid geven. Hiervoor nam Hij onze natuur op Zich en doorleefde Hij onze ervaringen. “Hij moest in alle dingen aan Zijn broeders gelijk worden gemaakt.” (Hebr. 2:17). Als wij iets hadden moeten dragen wat Jezus niet heeft doorstaan, dan zou Satan op dat punt Gods kracht voorstellen als onvoldoende voor ons. Daarom werd Jezus “in elk opzicht op dezelfde wijze als wij op de proef gesteld” (Hebr. 4:15). Hij doorstond elke beproeving waaraan wij onderhevig zijn. En Hij gebruikte ten behoeve van Zichzelf geen enkele kracht die niet ook vrijelijk aan ons wordt aangeboden. Als mens trad Hij de verleiding tegemoet en overwon in de kracht die Hem door God was gegeven. Hij zegt: “Ik vind er vreugde in om Uw wil te doen, o Mijn God; ja, Uw wet is in Mijn hart.” (Ps. 40:8). Terwijl Hij rondging, goeddeed en iedereen genas die door Satan werd gekweld, maakte Hij het karakter van Gods wet en de aard van Zijn dienstwerk duidelijk aan de mensen. Zijn leven getuigt ervan dat het ook voor ons mogelijk is om de wet van God te gehoorzamen.

Door Zijn menselijkheid raakte Christus de mensheid aan; door Zijn goddelijkheid grijpt Hij vast naar de troon van God. Als de Zoon des mensen gaf Hij ons een voorbeeld van gehoorzaamheid; als de Zoon van God geeft Hij ons de kracht om te gehoorzamen. Het was Christus die vanuit de braamstruik op de berg Horeb tot Mozes sprak en zei: “IK BEN DIE IK BEN…. Dit moet u tegen de kinderen van Israël zeggen: IK BEN heeft mij naar u toe gezonden.” (Ex. 3:14).

Dit was de belofte van Israëls bevrijding. Dus toen Hij kwam “gelijk aan de mensen”, verklaarde Hij Zichzelf tot de IK BEN. Het Kind van Bethlehem, de zachtmoedige en nederige Heiland, is God “zichtbaar gemaakt in het vlees” (1 Tim. 3:16). En tegen ons zegt Hij: “IK BEN de Goede Herder.” “IK BEN het levende Brood.” “IK BEN de Weg, de Waarheid en het Leven.” “Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde” (Joh. 10:11; 6:51; 14:6; Matt. 28:18).

IK BEN de zekerheid van elke belofte. IK BEN; wees niet bang. “God met ons” is de garantie voor onze bevrijding van de zonde, de verzekering van onze kracht om de wet van de hemel te gehoorzamen.

Door Zich te verlagen om de menselijke natuur op Zich te nemen, openbaarde Christus een karakter dat het volkomen tegenovergestelde was van het karakter van Satan. Maar Hij daalde nog verder af op het pad van vernedering. “En toen Hij als mens was verschenen, vernederde Hij Zichzelf en werd gehoorzaam tot de dood, ja, de dood aan het kruis” (Filipp. 2:8). Zoals de hogepriester zijn schitterende heilige kleding aflegde en de dienst deed in het witte linnen gewaad van de gewone priester, zo nam Christus de gedaante van een dienaar aan en bracht het offer — Hijzelf de priester, Hijzelf het slachtoffer. “Hij werd verwond om onze overtredingen, Hij werd verbrijzeld om onze ongerechtigheden; de straf die ons de vrede brengt, was op Hem.” Jes. 53:5.

Christus werd behandeld zoals wij verdienen, opdat wij behandeld zouden worden zoals Hij verdient. Hij werd veroordeeld voor onze zonden, waaraan Hij geen deel had, opdat wij gerechtvaardigd zouden worden door Zijn rechtvaardigheid, waaraan wij geen deel hadden. Hij onderging de dood die de onze was, opdat wij het leven zouden ontvangen dat het Zijne was. “Door Zijn striemen zijn wij genezen” (Jes. 53:5).

De herstelde aarde: Het universum voor altijd veilig

Door Zijn leven en Zijn dood heeft Christus zelfs nog meer bereikt dan alleen herstel van de ondergang die door de zonde was veroorzaakt. Het was Satans doel om een eeuwige scheiding tussen God en mens teweeg te brengen; maar in Christus worden wij hechter met God verbonden dan wanneer wij nooit gevallen waren. Door onze natuur aan te nemen, heeft de Heiland Zichzelf met de mensheid verbonden door een band die nooit verbroken zal worden.

Door de eeuwige tijden heen is Hij met ons verbonden. “God had de wereld zo lief, dat Hij Zijn Eniggeboren Zoon gaf” (Joh. 3:16). Hij gaf Hem niet alleen om onze zonden te dragen en te sterven als ons offer; Hij gaf Hem aan het gevallen menselijk ras. Om ons te verzekeren van Zijn onveranderlijke raad van vrede, gaf God Zijn Eniggeboren Zoon om deel te gaan uitmaken van de menselijke familie en Zijn menselijke natuur voor altijd te behouden. Dit is het pand dat God Zijn woord zal nakomen. “Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij zal op Zijn schouder rusten” (Jes. 9:5) God heeft de menselijke natuur aangenomen in de persoon van Zijn Zoon, en heeft deze binnengedragen in de hoogste hemel.

Het is de “Zoon des mensen” die de troon van het universum deelt. Het is de “Zoon des mensen” wiens naam genoemd zal worden: “Wonderbaarlijk, Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst” (Jes. 9:6). De IK BEN is de Middelaar tussen God en de mensheid, die Zijn hand op beiden legt. “Want zo’n Hogepriester hadden wij ook nodig: Iemand die heilig, onschuldig, onbesmet en afgescheiden van zondaars is, en die hoger dan de hemelen is verheven”, en Hij “schaamt Zich er niet voor om hen broeders te noemen,” (Hebr. 7:26; 2:11). In Christus zijn de familie van de aarde en de familie van de hemel met elkaar verbonden. De verheerlijkte Christus is onze Broer. De hemel ligt besloten in de mensheid, en de mensheid is omhuld in de schoot van Oneindige Liefde.

Over Zijn volk zegt God: “Zij zullen zijn als de stenen van een kroon, omhooggeheven als een banier boven Zijn land. Want hoe groot is Zijn goedheid, en hoe groot is Zijn schoonheid!” (Zach. 9:16, 17). De verheffing van de verlosten zal een eeuwig getuigenis zijn van Gods barmhartigheid. “In de eeuwen die komen,” zal Hij “de overweldigende rijkdom van Zijn genade tonen in Zijn vriendelijkheid jegens ons door Christus Jezus.” “Met de bedoeling dat… aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten… de veelkleurige wijsheid van God bekendgemaakt zou worden, in overeenstemming met het eeuwige voornemen dat Hij heeft opgevat in Christus Jezus, onze Heere.” (Efez. 2:7; 3:10, 11).

Door het verlossingswerk van Christus is het bestuur van God gerechtvaardigd. De Almachtige is bekendgemaakt als de God van liefde. Satans beschuldigingen zijn weerlegd en zijn karakter is ontmaskerd. Opstand kan nooit meer de kop opsteken. Zonde kan het universum nooit meer binnenkomen. Door alle eeuwige tijden heen is iedereen veilig voor afvalligheid. Door het zelfopofferende karakter van de liefde zijn de bewoners van de aarde en de hemel met hun Schepper verbonden in een onverbrekelijke eenheid.

Het verlossingswerk zal voltooid zijn. Op de plaats “waar de zonde overvloedig was, is Gods genade nog veel overvloediger” (Rom. 5:20). De aarde zelf, het terrein dat Satan als het zijne opeist, zal niet alleen worden vrijgekocht, maar ook worden verheven. Onze kleine wereld, die onder de vloek van de zonde de enige donkere vlek was in Zijn glorieuze schepping, zal boven alle andere werelden in het universum van God worden geëerd. Hier, waar de Zoon van God Zijn tent opsloeg in onze menselijke natuur; waar de Koning der heerlijkheid leefde, leed en stierf — hier zal, wanneer Hij alle dingen nieuw maakt, de tabernakel van God bij de mensen zijn, “en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen zijn en hun God zijn” (Opb. 21:3).

En terwijl de verlosten door eindeloze eeuwen heen wandelen in het licht van de Heere, zullen zij Hem prijzen voor Zijn onuitsprekelijke Gave — Immanuel, “God met ons”

Scroll to Top
Home