Een onveranderlijke wet en eeuwige vrede

Maar Christus kwam niet alleen maar naar de aarde om te lijden en te sterven om de verlossing van de mens te bewerkstelligen. Hij maakte de wet niet alleen groot en eervol opdat de bewoners van deze wereld de wet zouden beschouwen zoals zij beschouwd moet worden, maar ook om aan alle werelden van het universum te bewijzen dat Gods wet onveranderlijk is. Als de eisen van de wet terzijde geschoven hadden kunnen worden, dan had de Zoon van God Zijn leven niet hoeven te geven om voor de overtreding ervan te boeten. De dood van Christus bewijst dat zij onveranderlijk is. En het offer waartoe oneindige liefde de Vader en de Zoon bewoog om zondaars te verlossen, bewijst aan het hele universum dat rechtvaardigheid en barmhartigheid het fundament vormen van de wet en het bestuur van God. Niets minder dan dit verzoeningsplan had hiervoor kunnen volstaan.

Bij de uiteindelijke voltrekking van het oordeel zal blijken dat er geen enkele reden voor de zonde bestaat. Wanneer de Rechter van de hele aarde tegen de Satan zal zeggen: “Waarom bent u tegen Mij in opstand gekomen en heeft u Mij beroofd van de onderdanen van Mijn koninkrijk?”, zal de grondlegger van het kwaad geen verontschuldiging kunnen aanvoeren. Elke mond zal worden gesnoerd, en de hele legermacht van de rebellie zal sprakeloos zijn.

Het kruis van Golgotha verklaart dat de wet onveranderlijk is en verkondigt tegelijkertijd aan het universum dat het loon van de zonde de dood is. In de laatste uitroep van de Heiland, “Het is volbracht” (Joh. 19:30), luidde de doodsklok voor Satan. De grote strijd die al zo lang gaande was, werd toen beslecht, en de definitieve uitroeiing van het kwaad werd daarmee zekergesteld.

De Zoon van God ging door de poorten van het graf. Lucifers verlangen naar zelfverheerlijking had hem ertoe gebracht te zeggen: “Ik zal opstijgen naar de hemel, ik zal mijn troon verheffen boven de sterren van God; ik zal ook plaatsnemen op de berg van de samenkomst, aan de zijden van het noorden: Ik zal opstijgen boven de hoogten van de wolken; ik zal gelijk zijn aan de Allerhoogste” (Jes. 14:13, 14).

Maar God verklaart: “U heeft uw heiligdommen ontwijd door de veelheid van uw ongerechtigheden, door de ongerechtigheid van uw handel; daarom zal Ik een vuur uit uw midden doen voortkomen, dat u zal verteren, en Ik zal u tot as maken op de aarde voor de ogen van allen die u aanschouwen. Allen die u kennen onder de volken zullen zich over u ontzetten; een schrikbeeld bent u geworden, en u zult er nooit meer zijn” (Ezech. 28:18, 19). 

Het hele universum zal getuige zijn geweest van het ware karakter en de gevolgen van de zonde. Haar totale uitroeiing, die in het begin angst zou hebben gebracht bij de engelen en oneer voor God, zal nu Zijn liefde rechtvaardigen en Zijn eer bevestigen ten overstaan van een universum van wezens die er een vreugde in vinden om Zijn wil te doen, van wie de wet in hun hart is.

Nooit meer zal het kwaad zich manifesteren. De wet van God, die door Satan werd beschimpt als een juk van slavernij, zal worden geëerd as de wet van de vrijheid. Een geteste en beproefde schepping zal zich nooit meer afkeren van haar loyaliteit aan Hem wiens karakter zich volledig aan hen heeft geopenbaard als peilloze liefde en oneindige wijsheid.

Wat bedenkt u tegen de HEERE? Hij zal er een volledig einde aan maken; de benauwdheid zal niet voor de tweede keer opkomen.

Nah. 1: 9

Wat bedenkt u tegen de HEERE? Hij zal er een volledig einde aan maken; de benauwdheid zal niet voor de tweede keer opkomen.

Nah. 1: 9

Kernpunten

 • Onveranderlijkheid van de wet

Christus’ dood bewijst dat Gods wet onveranderlijk is, want als de eisen van de wet terzijde geschoven hadden kunnen worden, dan had de Zoon van God Zijn leven niet hoeven te geven om voor de overtreding ervan te boeten.

De HEERE heeft behagen in hen omwille van Zijn rechtvaardigheid; Hij zal de wet groot maken en haar eervol maken.

Jes. 42: 21

De HEERE heeft behagen in hen omwille van Zijn rechtvaardigheid; Hij zal de wet groot maken en haar eervol maken.

Jes. 42: 21

 • Fundament van Gods bestuur

Rechtvaardigheid en barmhartigheid vormen het fundament van Gods wet en bestuur, wat blijkt uit het offer van liefde.

Rechtvaardigheid en oordeel zijn de woonplaats van Uw troon: barmhartigheid en waarheid zullen voor Uw aangezicht uitgaan.

Ps. 89: 14

Rechtvaardigheid en oordeel zijn de woonplaats van Uw troon: barmhartigheid en waarheid zullen voor Uw aangezicht uitgaan.

Ps. 89: 14

 • Strijd tegen het kwaad definitief beslist

Met de dood van Christus en Zijn laatste uitroep: “Het is volbracht”, is de definitieve ondergang van Satan en het kwaad bezegeld.

“Opdat Hij door de dood hem zou vernietigen die de macht over de dood had, dat is de duivel;

Hebr. 2: 14

Opdat Hij door de dood hem zou vernietigen die de macht over de dood had, dat is de duivel;

Hebr. 2: 14

 • Elke mond gesnoerd

Bij het oordeel zullen zowel Satan als alle hoogmoedigen, ja, eenieder die goddeloos handelt, geen verontschuldiging hebben en zal het hele universum inzien dat er geen reden is voor de zonde.

“Wanneer de dag komt, brandend als een oven; en alle hoogmoedigen, ja, ieder die goddeloos handelt, zal als stoppels zijn; en de dag die komt zal hen verbranden, zegt de HEERE van de legerscharen, zodat er voor hen geen wortel of tak zal overblijven.”

Mal. 4: 1

Wanneer de dag komt, brandend als een oven; en alle hoogmoedigen, ja, ieder die goddeloos handelt, zal als stoppels zijn; en de dag die komt zal hen verbranden, zegt de HEERE van de legerscharen, zodat er voor hen geen wortel of tak zal overblijven.

Mal. 4: 1

 • Eeuwige vrede en gerechtigheid

Het kwaad is dan volledig en voorgoed uitgeroeid; de benauwdheid zal niet voor de tweede keer opkomen en Gods wet zal gelden als de wet van de vrijheid en gerechtigheid.

“Zo zal ik Uw wet voortdurend onderhouden, voor altijd en eeuwig. En ik zal in vrijheid wandelen: want ik zoek Uw voorschriften.”

Ps. 119: 44, 45

Zo zal ik Uw wet voortdurend onderhouden, voor altijd en eeuwig. En ik zal in vrijheid wandelen: want ik zoek Uw voorschriften.

Ps. 119: 44, 45

Einde van
“De oorsprong van het kwaad”

Scroll to Top
Home