Blijdschap in de Heere

Uitgezonden in de wereld
De kinderen van God zijn geroepen om vertegenwoordigers van Christus te zijn, en de goedheid en barmhartigheid van de Heere te laten zien. Gelijk Jezus ons het ware karakter van de Vader heeft geopenbaard, zo moeten wij Christus openbaren aan een wereld die Zijn tedere, mededogende liefde niet kent. “Gelijk Gij Mij gezonden hebt in de wereld,” zeide Jezus, “heb Ik hen ook gezonden in de wereld.” “Ik in hen en U in Mij; opdat de wereld wete, dat U Mij gezonden hebt.” (Joh. 17:18, 23). De apostel Paulus zegt tot de discipelen van Jezus: “Het is blijkbaar, dat u een brief van Christus bent,” “bekend en gelezen van alle mensen” (2 Kor. 3:3, 2). In ieder van Zijn kinderen zendt Jezus een brief aan de wereld. Indien gij een volgeling van Christus zijt, zendt Hij in u een brief aan het gezin, het dorp, de straat waarin gij woont. Jezus, die in u woont, verlangt te spreken tot de harten van hen die Hem niet kennen. Misschien lezen zij de Bijbel niet, of horen zij de stem niet die tot hen spreekt uit zijn bladzijden; zij zien de liefde van God niet door Zijn werken. Maar indien u een ware vertegenwoordiger van Jezus bentt, kan het zijn dat zij door u geleid worden om iets van Zijn goedheid te begrijpen en ertoe gebracht worden Hem lief te hebben en te dienen.
Christenen zijn aangesteld als lichtdragers op de weg naar de hemel. Zij moeten het licht dat vanuit Christus op hen schijnt, weerspiegelen naar de wereld. Hun leven en karakter moeten zodanig zijn dat anderen door hen een juist beeld krijgen van Christus en van Zijn dienst.
Als we Christus werkelijk vertegenwoordigen, zullen we Zijn dienst aantrekkelijk laten schijnen, zoals die in werkelijkheid ook is. Christenen die somberheid en droefheid in hun ziel verzamelen, en die mopperen en klagen, geven aan anderen een verkeerde voorstelling van God en van het christelijke leven. Zij wekken de indruk dat God er geen behagen in schept dat Zijn kinderen gelukkig zijn, en hiermee leggen zij een vals getuigenis af tegen onze hemelse Vader.
Satan is opgetogen wanneer hij de kinderen van God tot ongeloof en moedeloosheid kan verleiden. Hij geniet ervan om te zien dat we God wantrouwen en twijfelen aan Zijn bereidheid en kracht om ons te redden. Hij ziet graag dat we het gevoel hebben dat de Heere ons door Zijn voorzienigheid kwaad zal doen. Het is het werk van satan om de Heere voor te stellen als iemand die tekortschiet in mededogen en ontferming. Hij verdraait de waarheid over Hem. Hij vult de verbeelding met valse ideeën over God; en in plaats van stil te staan bij de waarheid over onze hemelse Vader, richten we onze geest maar al te vaak op de misleidingen van satan, en onteren we God door Hem te wantrouwen en tegen Hem te mopperen. Satan probeert het religieuze leven altijd tot een zaak van somberheid te maken. Hij verlangt ernaar dat het zwaar en moeilijk lijkt; en wanneer de christen deze visie op religie in zijn eigen leven uitdraagt, ondersteunt hij door zijn ongeloof de leugen van satan.
Velen die de levensweg bewandelen, blijven stilstaan bij hun fouten, mislukkingen en teleurstellingen, waardoor hun hart vervuld raakt met verdriet en moedeloosheid. Toen ik in Europa was, schreef een zuster die dit ook deed en in diepe psychische nood verkeerde, mij een brief waarin ze vroeg om een woord van bemoediging. De nacht nadat ik haar brief had gelezen, droomde ik dat ik in een tuin was, en iemand die de eigenaar van de tuin leek te zijn, leidde mij over de paden. Ik was bloemen aan het plukken en genoot van hun geur, toen deze zuster, die aan mijn zijde liep, mijn aandacht vestigde op een paar lelijke braamstruiken die haar de weg versperden. Daar stond ze te treuren en te klagen. Ze liep niet op het pad, achter de gids aan, maar liep tussen de braamstruiken en doorns. “O,” klaagde ze, “is het niet jammer dat deze prachtige tuin zo ontsierd wordt door doorns?” Toen zei de gids: “Laat die doorns met rust, want ze zullen u alleen maar verwonden. Pluk de rozen, de lelies en de anjers.”
Zijn er geen lichtpunten geweest in uw ervaring? Hebt u geen kostbare momenten gekend waarop uw hart sneller klopte van vreugde als antwoord op de Geest van God? Wanneer u terugkijkt in de hoofdstukken van uw levenservaring, vindt u dan geen aangename pagina’s? Groeien Gods beloften niet, net als geurige bloemen, aan weerszijden van uw pad? Wilt u hun schoonheid en tederheid uw hart niet laten vervullen met vreugde?
De braamstruiken en doorns zullen u alleen maar verwonden en pijn doen; en als u alleen deze dingen verzamelt en ze aan anderen laat zien, ontheiligt u dan niet alleen de goedheid van God voor uzelf, maar weerhoudt u daarmee ook de mensen om u heen ervan om op de weg van het leven te wandelen?
Het is niet verstandig om alle onaangename herinneringen aan een vorig leven — de misstappen en teleurstellingen — te verzamelen, om daarover te spreken en te treuren totdat we overspoeld worden door moedeloosheid. Een moedeloze ziel is vervuld van duisternis, waardoor het licht van God uit de eigen ziel wordt buitengesloten en er een schaduw wordt geworpen op het pad van anderen.
Dank God en twijfel niet
Dank God voor de heldere taferelen die Hij ons heeft voorgehouden. Laten we de gezegende beloften van Zijn liefde verzamelen, opdat we er voortdurend naar kunnen kijken: De Zoon van God Die de troon van Zijn Vader verlaat en Zijn goddelijkheid met de mensheid bekleedt, om de mens te redden uit de macht van de satan; Zijn triomf in ons belang, waarmee Hij de hemel voor de mens opende en aan het menselijk oog de troonzaal openbaarde waar de Godheid Haar heerlijkheid onthult; het gevallen mensdom dat wordt opgeheven uit de afgrond van de ondergang waarin de zonde het had gestort, en weer in verbinding wordt gebracht met de oneindige God; en dat, na de goddelijke beproeving door het geloof in onze Verlosser te hebben doorstaan, bekleed is met de rechtvaardigheid van Christus en verheven is tot Zijn troon — dít zijn de taferelen die God door ons overdacht wil zien.
Wanneer we aan Gods liefde lijken te twijfelen en Zijn beloften wantrouwen, onteren we Hem en bedroeven we Zijn Heilige Geest. Hoe zou een moeder zich voelen als haar kinderen voortdurend over haar zouden klagen, alsof zij het niet goed met hen voorhad, terwijl haar hele levensloop erop gericht was hun belangen te behartigen en hun comfort te bieden? Stel dat zij aan haar liefde zouden twijfelen; het zou haar hart breken. Hoe zou een ouder zich voelen om zo door zijn kinderen behandeld te worden? En hoe moet onze hemelse Vader wel niet naar ons kijken wanneer we twijfelen aan Zijn liefde, die Hem ertoe bracht Zijn eniggeboren Zoon te geven opdat wij het leven zouden hebben? De apostel schrijft: “Hoe zal Hij, Die zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard maar Hem voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken?” (Rom. 8:32). En toch zijn er zovelen die door hun daden, zo niet in woorden, zeggen: “De Heere bedoelt dit niet voor mij. Misschien houdt Hij van anderen, maar Hij houdt niet van mij.”
Dit alles schaadt uw eigen ziel; want met elk woord van twijfel dat u uitspreekt, nodigt u de verleidingen van de satan uit. Het versterkt in u de neiging tot twijfel en het verdrijft de dienende engelen die u willen bijstaan. Wanneer de satan u verleidt, spreek dan geen enkel woord van twijfel of duisternis. Als u ervoor kiest de deur te openen voor zijn influisteringen, zal uw geest vervuld raken met wantrouwen en opstandige vragen. Als u uiting geeft aan uw gevoelens, heeft elke twijfel die u uitspreekt niet alleen een weerslag op uzelf, maar is het ook een zaadje dat zal ontkiemen en vrucht zal dragen in het leven van anderen; en het kan onmogelijk blijken om de invloed van uw woorden weer ongedaan te maken. U bent zelf wellicht in staat om te herstellen van zo’n periode van verleiding en te ontkomen aan de strik van de satan, maar anderen die door uw invloed zijn meegesleurd, slagen er misschien niet in om te ontsnappen aan het ongeloof dat u hebt gezaaid. Hoe belangrijk is het daarom dat we alleen die dingen spreken die geestelijke kracht en leven schenken!
Engelen luisteren om te horen wat voor getuigenis u aan de wereld brengt over uw hemelse Meester. Laat uw gesprekken gaan over Hem Die leeft om voor u te pleiten bij de Vader. Wanneer u de hand van een vriend vastpakt, laat dan de lof aan God op uw lippen en in uw hart zijn. Dit zal zijn gedachten naar Jezus trekken.
Iedereen heeft beproevingen; verdriet dat zwaar te dragen is en verleidingen die moeilijk te weerstaan zijn. Vertel uw problemen niet aan uw medestervelingen, maar breng alles in gebed naar God. Maak er een regel van om nooit één woord van twijfel of moedeloosheid uit te spreken. U kunt veel doen om het leven van anderen te verblijden en hun inspanningen te versterken door woorden van hoop en heilige bemoediging.
Er is menige dappere ziel die zwaar op de proef wordt gesteld door verleiding, en die bijna bezwijkt in de strijd tegen het eigen ‘ik’ en tegen de machten van het kwaad. Ontmoedig zo iemand niet in zijn zware strijd. Bemoedig hem met dappere, hoopvolle woorden die hem aansporen op zijn weg. Zo kan het licht van Christus vanuit u schijnen. “Want niemand van ons leeft voor zichzelf” (Rom. 14:7). Door onze onbewuste invloed kunnen anderen worden bemoedigd en versterkt, of zij kunnen worden ontmoedigd en weggedreven van Christus en de waarheid.
Er zijn velen die een volkomen verkeerd beeld hebben van het leven en het karakter van Christus. Zij denken dat Hij verstoken was van warmte en opgewektheid, en dat Hij streng, hard en vreugdeloos was. In veel gevallen wordt de gehele religieuze ervaring ingekleurd door deze sombere opvattingen.
Er wordt vaak gezegd dat Jezus weende, maar dat er nooit van Hem bekend is dat Hij glimlachte. Onze Zaligmaker was inderdaad een Man van smarten, en bekend met verdriet, want Hij opende Zijn hart voor alle ellende van de mens. Maar hoewel Zijn leven vol zelfverloochening was en overschaduwd werd door pijn en zorg, was Zijn geest niet gebroken. Zijn gelaat droeg geen uitdrukking van verdriet en geklaag, maar getuigde altijd van een vredige sereniteit. Zijn hart was een bron van levend water, en overal waar Hij heenging, bracht Hij rust en vrede, vreugde en blijdschap.
Onze Zaligmaker was diep ernstig en intens toegewijd, maar nooit somber of nukkig. Het leven van hen die Hem nabootsen, zal vol zijn van een ernstig doel; zij zullen een diep besef van persoonlijke verantwoordelijkheid hebben. Lichtzinnigheid zal worden onderdrukt; er zal geen luidruchtige vrolijkheid zijn, geen ongepaste spot; maar de religie van Jezus geeft vrede als een rivier. Zij dooft het licht van de vreugde niet; zij houdt de opgewektheid niet tegen en overschaduwt het zonnige, glimlachende gezicht niet. Christus is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen; en wanneer Zijn liefde in het hart regeert, zullen we Zijn voorbeeld volgen.
Als we de liefdeloze en onrechtvaardige daden van anderen de boventoon laten voeren in onze gedachten, zullen we het onmogelijk vinden om hen lief te hebben zoals Christus ons heeft liefgehad; maar als onze gedachten stilstaan bij de wonderbare liefde en het mededogen van Christus voor ons, zal diezelfde geest uitstromen naar anderen. We moeten elkaar liefhebben en respecteren, ondanks de fouten en onvolmaaktheden die we onmogelijk over het hoofd kunnen zien. Nederigheid en wantrouwen in het eigen ‘ik’ moeten gecultiveerd worden, evenals een geduldige tederheid met de fouten van anderen. Dit zal alle bekrompen zelfzucht uitbannen en ons grootmoedig en ruimhartig maken.
Onze enige Bron van hulp
De psalmist zegt: “Vertrouw op de HEERE en doe het goede; bewoon de aarde en voed u met getrouwheid” (Ps. 37:3). “Vertrouw op de HEERE.” Elke dag brengt zijn eigen lasten, zijn zorgen en onzekerheden met zich mee; en wanneer we elkaar ontmoeten, staan we direct klaar om over onze moeilijkheden en beproevingen te spreken. Er dringen zich zo veel geleende problemen op, er wordt zo veel ruimte gegeven aan angsten en er wordt zo’n zware last van bezorgdheid geuit, dat men zou kunnen veronderstellen dat we geen mededogende, liefdevolle Zaligmaker hebben Die klaarstaat om al onze verzoeken te horen en ons een bron van hulp te zijn in tijden van nood.
Sommigen verkeren altijd in angst en leven voortdurend op geleende zorgen. Elke dag worden zij omringd door de bewijzen van Gods liefde; elke dag genieten zij van de gaven van Zijn voorzienigheid; maar zij zien deze huidige zegeningen over het hoofd. Hun gedachten dwalen voortdurend af naar iets onaangenaams dat zij in de toekomst vrezen; of er is sprake van een reële moeilijkheid die, hoe klein ook, hun ogen blind maakt voor de vele dingen die om dankbaarheid vragen. De moeilijkheden die zij tegenkomen, drijven hen niet naar God — de enige bron van hun hulp —, maar scheiden hen juist van Hem, omdat ze onrust en geklaag in de hand werken.
Doen we er goed aan om zo ongelovig te zijn? Waarom zouden we ondankbaar en wantrouwend zijn? Jezus is onze Vriend; de hele hemel is geïnteresseerd in ons welzijn. We moeten niet toelaten dat de onzekerheden en zorgen van het dagelijkse leven onze geest afmatten en ons voorhoofd bewolken. Als we dat wel doen, zullen we altijd wel iets hebben dat ons dwarszit en hindert. We moeten geen bezorgdheid koesteren die ons alleen maar uitput en neerdrukt, maar ons niet helpt om beproevingen te dragen.
U kunt in uw zaken bezorgd of vastgelopen zijn; uw vooruitzichten kunnen donkerder en donkerder worden en u kunt met verlies worden bedreigd; maar word niet moedeloos; werp uw zorg op God en blijf rustig en opgewekt. Bid om wijsheid om uw zaken met beleid te behartigen en zo verlies en rampspoed te voorkomen. Doe alles wat in uw vermogen ligt om tot gunstige resultaten te komen. Jezus heeft Zijn hulp beloofd, maar niet los van onze eigen inspanning. Wanneer u, vertrouwend op onze Helper, alles hebt gedaan wat u kunt, aanvaard het resultaat dan met blijdschap.
Het is niet de wil van God dat Zijn volk gebukt gaat onder zorg. Maar onze Heere bedriegt ons niet. Hij zegt niet tegen ons: “Vrees niet; er liggen geen gevaren op uw pad.” Hij weet dat er beproevingen en gevaren zijn, en Hij handelt eerlijk met ons. Hij is niet van plan om Zijn volk weg te nemen uit een wereld van zonde en kwaad, maar Hij wijst hen op een nooit falende toevlucht. Zijn gebed voor Zijn discipelen was: “Ik bid niet dat U hen uit de wereld wegneemt, maar dat U hen bewaart voor de boze.” “In de wereld,” zo zegt Hij, “zult u verdrukking hebben, maar heb goede moed: Ik heb de wereld overwonnen” (Joh. 17:15; 16:33.)
In Zijn Bergrede leerde Christus Zijn discipelen kostbare lessen met betrekking tot de noodzaak om op God te vertrouwen. Deze lessen waren bedoeld om de kinderen van God door alle eeuwen heen te bemoedigen, en ze zijn tot onze tijd overgeleverd, vol onderricht en troost. De Zaligmaker wees Zijn navolgers op de vogels in de lucht, die hun lofzangen floten, onbezwaard door zorggedachten, want “zij zaaien niet, en zij maaien niet.” En toch voorziet de grote Vader in hun behoeften. De Zaligmaker vraagt: “Bent u niet veel meer waard dan zij?” (Matt. 6:26). De grote Weldoener voor mens en dier opent Zijn hand en verzorgt al Zijn schepselen. De vogels in de lucht vallen niet buiten Zijn opmerkelijkheid. Hij laat het voedsel niet zomaar in hun snavels vallen, maar Hij treft voorzieningen voor hun behoeften. Zij moeten de graankorrels verzamelen die Hij voor hen heeft uitgestrooid. Zij moeten het materiaal verzamelen voor hun kleine nestjes. Zij moeten hun jongen voeden. Zij gaan al zingend aan het werk, want “uw hemelse Vader voedt ze.” En “bent u niet veel meer waard dan zij?” Bent u, als verstandige, geestelijke aanbidders, niet van meer waarde dan de vogels in de lucht? Zal de Grondlegger van ons bestaan, de Bewaarder van ons leven, Degene Die ons naar Zijn eigen goddelijke beeld heeft gevormd, niet voorzien in onze behoeften als we maar op Hem vertrouwen?
Christus wees Zijn discipelen op de bloemen van het veld, die in rijke overvloed groeiden en schitterden in de eenvoudige schoonheid die de hemelse Vader hun had gegeven als een uitdrukking van Zijn liefde voor de mens. Hij zei: “Let op de lelies van het veld, hoe zij groeien.” De schoonheid en eenvoud van deze natuurlijke bloemen overtreffen de pracht van Salomo verre. De meest schitterende kleding, voortgebracht door menselijk vakmanschap, kan de vergelijking met de natuurlijke gratie en stralende schoonheid van de bloemen van Gods schepping niet doorstaan. Jezus vraagt: “Als God nu het gras van het veld, dat er vandaag is en morgen in de oven geworpen wordt, zo kleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, kleingelovigen?” (Matt. 6:28, 30). Als God, de goddelijke Kunstenaar, aan de eenvoudige bloemen die in één dag vergaan hun tere en gevarieerde kleuren geeft, hoeveel te meer zorg zal Hij dan wel niet hebben voor hen die naar Zijn eigen beeld zijn geschapen? Deze les van Christus is een verwijt voor de bezorgde gedachte, de onzekerheid en de twijfel van het ongelovige hart.
De Heere wil dat al Zijn zonen en dochters gelukkig, vredig en gehoorzaam zijn. Jezus zegt: “Mijn vrede geef Ik u; niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u. Laat uw hart niet in beroering raken en niet bevreesd worden.” “Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat Mijn blijdschap in u blijft en uw blijdschap volkomen wordt” (Joh. 14:27; 15:11).
Geluk dat gezocht wordt vanuit zelfzuchtige motieven, buiten de weg van de plicht om, is onevenwichtig, grillig en vergankelijk; het gaat voorbij en laat de ziel achter met eenzaamheid en verdriet. Er ligt echter vreugde en voldoening in de dienst van God; de christen wordt niet aan zijn lot overgelaten om op onzekere paden te wandelen; hij wordt niet achtergelaten met ijdele spijt en teleurstellingen. Zelfs als we de plezieren van dit leven niet hebben, mogen we nog altijd vol vreugde uitzien naar het leven hierna.
Kracht voor elke beproeving
Maar zelfs hier op aarde mogen christenen de vreugde ervaren van gemeenschap met Christus; zij mogen het licht van Zijn liefde bezitten en de voortdurende troost van Zijn aanwezigheid. Elke stap in het leven kan ons dichter bij Jezus brengen, ons een diepere ervaring van Zijn liefde schenken en ons een stap dichter bij het gezegende thuis van de vrede brengen. Laten we dan ons vertrouwen niet wegwerpen, maar een vaste verzekering hebben, vaster dan ooit tevoren. “Tot hiertoe heeft de HEERE ons geholpen,” (1 Sam. 7:12) en Hij zal ons helpen tot het einde. Laten we kijken naar de gedenktekens die ons herinneren aan wat de Heere heeft gedaan om ons te troosten en ons te redden uit de hand van de verderver. Laten we alle tedere gunsten die God ons heeft bewezen vers in ons geheugen houden — de tranen die Hij heeft weggewist, de pijnen die Hij heeft verzacht, de zorgen die Hij heeft weggenomen, de angsten die Hij heeft verdreven, de behoeften waarin Hij heeft voorzien, de zegeningen die Hij heeft geschonken — en onszelf zo versterken voor alles wat ons nog te wachten staat tijdens de rest van onze pelgrimsreis.
We kunnen niet anders dan uitzien naar nieuwe onzekerheden in de komende strijd, maar we mogen zowel naar het verleden kijken als naar wat komen gaat, en zeggen: “Tot hiertoe heeft de HEERE ons geholpen.” “Naar de mate van uw dagen zal uw kracht zijn” (Deut. 33:25). De beproeving zal de kracht die ons gegeven zal worden om haar te dragen, niet te boven gaan. Laten we dan ons werk oppakken waar we het vinden, in het geloof dat — wat er ook mag komen — er kracht zal worden gegeven die in verhouding staat tot de beproeving.
En weldra zullen de poorten van de hemel wijd worden opengegooid om Gods kinderen binnen te laten, en van de lippen van de Koning der heerlijkheid zal de zegen over hun oren vallen als de rijkste muziek: “Kom, gezegenden van Mijn Vader, beërf het Koninkrijk dat voor u bestemd is vanaf de grondlegging van de wereld” (Matt. 25:34).
Dan zullen de verlosten worden verwelkomd in het thuis dat Jezus voor hen aan het bereiden is. Daar zullen hun metgezellen niet de goddelozen van de aarde zijn, de leugenaars, de afgodendienaars, de onreinen en de ongelovigen; maar zij zullen omgaan met hen die de satan hebben overwonnen en door goddelijke genade een volmaakt karakter hebben gevormd. Elke zondige neiging, elke onvolmaaktheid die hen hier kwelde, is weggenomen door het bloed van Christus, en de voortreffelijkheid en de glans van Zijn heerlijkheid, die de glans van de zon verre overtreft, is aan hen geschonken. En de morele schoonheid, de volmaaktheid van Zijn karakter, straalt door hen heen, in waarde die deze uiterlijke pracht ver te boven gaat. Zij staan zonder gebrek voor de grote witte troon, en delen in de waardigheid en de voorrechten van de engelen.
Met het oog op de heerlijke erfenis die de zijne kan zijn, “wat zal een mens geven in ruil voor zijn ziel?” (Matt. 16:26). Hij mag dan arm zijn, toch bezit hij in zichzelf een rijkdom en waardigheid die de wereld nooit zou kunnen schenken. De ziel die verlost en van zonde gereinigd is, en waarvan alle edele vermogens aan de dienst van God zijn gewijd, is van onschatbare waarde; en er is blijdschap in de hemel, in de aanwezigheid van God en de heilige engelen, over één verloste ziel — een blijdschap die tot uiting komt in liederen van heilige triomf.