Het voorrecht van het gebed

Uiting van ons geestelijk leven

Via de natuur en de openbaring, via Zijn voorzienigheid en door de invloed van Zijn Geest, spreekt God tot ons. Maar dit is niet genoeg; we moeten ook ons hart voor Hem uitstorten. Om geestelijk leven en denkkracht te bezitten, moeten we daadwerkelijke omgang hebben met onze hemelse Vader. Onze gedachten kunnen naar Hem uitgaan; we kunnen mediteren over Zijn werken, Zijn barmhartigheid en Zijn zegeningen; maar dit is, in de diepste betekenis, nog geen gemeenschap met Hem hebben. Om gemeenschap met God te hebben, moeten we Hem iets te vertellen hebben over ons dagelijkse, werkelijke leven.

Gebed is het openen van ons hart voor God als voor een vriend. Niet dat het nodig is om aan God bekend te maken wie of wat we zijn, maar om het ons mogelijk te maken Hem te ontvangen. Het gebed brengt God niet naar ons toe, maar brengt ons omhoog naar Hem.

Toen Jezus op aarde was, leerde Hij Zijn discipelen hoe zij moesten bidden. Hij droeg hen op om hun dagelijkse behoeften aan God voor te leggen en al hun zorgen op Hem te werpen. En de verzekering die Hij hun gaf dat hun smeekbeden verhoord zouden worden, is ook een verzekering voor ons.

Jezus Zelf was, toen Hij onder de mensen woonde, dikwijls in gebed. Onze Zaligmaker identificeerde Zich met onze behoeften en zwakheden, doordat Hij een smekeling werd, een petitioner, die bij Zijn Vader zocht naar nieuwe stromen van kracht, opdat Hij gesterkt tevoorschijn zou komen voor Zijn plicht en beproeving. Hij is ons voorbeeld in alle dingen. Hij is een broeder in onze zwakheden, “in alles op dezelfde wijze als wij verzocht” (Heb. 4:15); maar als de Zondeloze deinsde Zijn natuur terug voor het kwaad; Hij doorstond worstelingen en zielenpijn in een wereld vol zonde. Zijn mensheid maakte het gebed tot een noodzaak en een voorrecht. Hij vond troost en vreugde in de gemeenschap met Zijn Vader. En als de Zaligmaker van de mensen, de Zoon van God, de noodzaak van het gebed al voelde, hoeveel te meer zouden zwakke, zondige stervelingen dan de noodzaak moeten voelen van een vurig en aanhoudend gebed.

Onze hemelse Vader wacht om de volheid van Zijn zegen aan ons te schenken. Het is ons voorrecht om diepe teugen te drinken uit de bron van grenzeloze liefde. Wat een wonder is het dat we zo weinig bidden! God staat gereed en is gewillig om het oprechte gebed van het geringste van Zijn kinderen te horen, en toch is er van onze kant zoveel hoorbare onwil om onze behoeften aan God bekend te maken. Wat moeten de engelen van de hemel wel niet denken van arme, hulpeloze menselijke wezens die aan verleiding onderhevig zijn, wanneer Gods hart van oneindige liefde naar hen uitgaat — bereid om hun meer te geven dan zij kunnen bidden of beseffen — en zij toch zo weinig bidden en zo weinig geloof hebben? De engelen buigen zich graag voor God; zij zijn graag dicht bij Hem. Zij beschouwen gemeenschap met God als hun hoogste vreugde; en toch lijken de kinderen van de aarde, die de hulp die alleen God kan geven zo hard nodig hebben, tevreden te zijn om te wandelen zonder het licht van Zijn Geest en het gezelschap van Zijn aanwezigheid.

De duisternis van de boze omhult hen die nalaten te bidden. De gefluisterde verleidingen van de vijand verleiden hen tot zonde; en dat komt allemaal omdat zij geen gebruik maken van de voorrechten die God hun heeft gegeven in de goddelijke instelling van het gebed. Waarom zouden de zonen en dochters van God onwillig zijn om te bidden, terwijl het gebed de sleutel is in de hand van het geloof om de voorraadschuren van de hemel te openen, waar de grenzeloze rijkdommen van de Almachtige zijn opgeslagen? Zonder aanhoudend gebed en ijverig waken lopen we het gevaar onverschillig te worden en van het rechte pad af te wijken. De tegenstander probeert voortdurend de weg naar de troon van genade te blokkeren, opdat we niet door vurig smeken en geloof de genade en kracht ontvangen om verleiding te weerstaan.

Wanneer God onze gebeden verhoort

Er zijn bepaalde voorwaarden waaraan voldaan moet worden, willen we kunnen verwachten dat God onze gebeden hoort en verhoort. Een van de eerste hiervan is dat we onze behoefte aan hulp van Hem inzien. Hij heeft beloofd: “Want Ik zal water gieten op de dorstige, en stromen op het droge.” Jesaja 44:3. Degenen die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, die vurig verlangen naar God, mogen er zeker van zijn dat zij verzadigd zullen worden. Het hart moet openstaan voor de invloed van de Geest, anders kan Gods zegen niet worden ontvangen.

Onze grote nood is op zichzelf al een argument en pleit buitengewoon welsprekend voor ons. Maar we moeten de Heere wel zoeken om deze dingen voor ons te doen. Hij zegt: “Vraag, en u zal gegeven worden.” En: “Hoe zal Hij, Die zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard maar Hem voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken?” Mattheüs 7:7; Romeinen 8:32.

Als we onrecht koesteren in ons hart, als we ons vastklampen aan een bekende zonde, zal de Heere ons niet horen; maar het gebed van de berouwvolle, verslagen ziel wordt altijd aangenomen. Wanneer alle bekende fouten zijn rechtgezet, mogen we geloven dat God onze smeekbeden zal verhoren. Onze eigen verdienste zal ons nooit aanbevelen bij de gunst van God; het is de waardigheid van Jezus die ons zal redden, en Zijn bloed dat ons zal reinigen. Toch hebben wij een werk te doen door te voldoen aan de voorwaarden voor aanvaarding.

Een ander element van een krachtig gebed is geloof. “Wie tot God komt, moet geloven dat Hij is, en dat Hij beloont wie Hem ijverig zoeken” (Heb. 11:6.) Jezus zei tegen Zijn discipelen: “Alles wat u biddend begeert, geloof dat u het ontvangen hebt en het zal u ten deel vallen” (Mark. 11:24). Nemen wij Hem op Zijn Woord?

De belofte is breed en onbeperkt, en Hij Die beloofd heeft, is getrouw. Wanneer we niet precies die dingen ontvangen waar we om vroegen, op het moment dat we erom vragen, moeten we nog steeds geloven dat de Heere ons hoort en dat Hij onze gebeden zal verhoren. We zijn zo feilbaar en kortzichtig dat we soms om dingen vragen die geen zegen voor ons zouden zijn, en onze hemelse Vader verhoort onze gebeden in liefde door ons datgene te geven wat voor ons allerhoogst goed zal zijn — datgene wat we zelf zouden wensen als we, met een goddelijk verlichte blik, alle dingen konden zien zoals ze werkelijk zijn. Wanneer onze gebeden niet verhoord lijken te worden, moeten we ons aan de belofte vastklampen; want de tijd van verhoring zal zeker komen, en we zullen de zegen ontvangen die we het hardst nodig hebben. Maar te beweren dat het gebed altijd beantwoord zal worden op precies de manier en met het specifieke ding dat wij wensen, is inbeelding. God is te wijs om Zich te vergissen, en te goed om het goede te onthouden aan hen die in oprechtheid wandelen. Wees dan niet bang om op Hem te vertrouwen, zelfs als u niet direct het antwoord op uw gebeden ziet. Vertrouw op Zijn zekere belofte: “Vraag, en u zal gegeven worden; zoek, en u zult vinden; klop, en er zal voor u opengedaan worden” (Matt. 7:7; Luk. 11:9).

Ons besef van onze afhankelijkheid

Als we te rade gaan bij onze twijfels en angsten, of proberen alles wat we niet helder kunnen zien op te lossen voordat we geloof hebben, zullen de onzekerheden alleen maar toenemen en dieper worden. Maar als we tot God komen in het besef dat we hulpeloos en afhankelijk zijn, zoals we in werkelijkheid ook zijn, en in nederig, vertrouwend geloof onze behoeften bekendmaken aan Hem wiens kennis oneindig is, Die alles in de schepping ziet en Die alles bestuurt door Zijn wil en woord, dan kan en zal Hij acht slaan op ons geroep en licht in ons hart laten schijnen. Door een oprecht gebed worden we in verbinding gebracht met de geest van de Oneindige. We hebben op dat moment misschien geen opmerkelijk bewijs dat het aangezicht van onze Verlosser zich in mededogen en liefde over ons heen buigt, maar dat is desondanks wel zo. We voelen Zijn tastbare aanraking misschien niet, maar Zijn hand rust op ons in liefde en ontfermende tederheid.

Wanneer we tot God komen om barmhartigheid en zegen te vragen, moeten we een geest van liefde en vergeving in ons eigen hart hebben. Hoe kunnen we bidden: “Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij onze schuldenaren vergeven,” (Matt. 6:12) en tegelijkertijd een onverzoenlijke geest koesteren? Als we verwachten dat onze eigen gebeden verhoord worden, moeten we anderen vergeven op dezelfde manier en in dezelfde mate als we zelf hopen vergeven te worden.

Volharding in het gebed is tot een voorwaarde gemaakt voor het ontvangen ervan. We moeten altijd bidden als we willen groeien in geloof en ervaring. We moeten “volharden in het gebed”, “en daarin waakzaam zijn met dankzegging” (Rom. 12:12; Kol. 4:2). Petrus vermaant gelovigen om “nuchter te zijn en waakzaam in de gebeden” (1 Petr. 4:7). Paulus draagt op: “Laat uw verlangens in alles door gebed en smeking, met dankzegging, bekend worden bij God” (Filipp. 4:6). “Maar u, geliefden,” zegt Judas, “terwijl u bidt in de Heilige Geest, bewaar uzelf in de liefde van God” (Jud. 20, 21). Onophoudelijk gebed is de ononderbroken eenheid van de ziel met God, zodat het leven van God in ons leven stroomt; en vanuit ons leven stromen zuiverheid en heiligheid weer terug naar God.

Waar moeten we bidden?

Er is noodzaak tot ijver in het gebed; laat niets u hinderen. Doe er alles aan om de gemeenschap tussen Jezus en uw eigen ziel open te houden. Zoek elke gelegenheid op om daarheen te gaan waar men gewoonlijk samenkomt voor gebed. Degenen die werkelijk op zoek zijn naar gemeenschap met God, zullen gezien worden op de gebedsbijeenkomst, getrouw in het vervullen van hun plicht en vurig verlangend om alle vruchten te plukken die zij kunnen verkrijgen. Zij zullen elke gelegenheid aangrijpen om zichzelf daar te plaatsen waar zij de lichtstralen uit de hemel kunnen ontvangen.

We moeten bidden in de gezinskring, en bovenal mogen we het stille gebed in het verborgene niet verwaarlozen, want dit is het leven van de ziel. Het is voor de ziel onmogelijk om op te bloeien wanneer het gebed wordt verwaarlozen. Een gezinsgebed of openbaar gebed alleen is niet voldoende. Laat de ziel in de eenzaamheid opengelegd worden voor het onderzoekende oog van God. Het stille gebed hoeft alleen gehoord te worden door de God Die gebeden verhoort. Geen nieuwsgierig oor hoort de last van zulke smeekbeden te ontvangen. In het verborgene is de ziel vrij van invloeden uit de omgeving, vrij van opwinding. Rustig, maar vurig, zal zij zich uitstrekken naar God. Lieflijk en blijvend zal de invloed zijn die uitgaat van Hem Die in het verborgene ziet, Wiens oor openstaat om het gebed te horen dat opstijgt uit het hart. Door een rustig, eenvoudig geloof heeft de ziel gemeenschap met God en verzamelt zij goddelijke lichtstralen om zich te versterken en staande te houden in de strijd met de satan. God is onze sterke toren.

Bid in uw binnenkamer, en laat uw hart ook tijdens uw dagelijkse arbeid vaak tot God worden opgeheven. Op deze manier wandelde Henoch met God. Deze stille gebeden stijgen als kostbaar reukwerk op voor de troon van genade. Satan kan hem wiens hart zo op God is gevestigd, niet overwinnen.

Er is geen tijd of plaats waarin het ongepast is om een verzoek tot God te richten. Er is niets dat ons kan beletten om ons hart op te heffen in de geest van een vurig gebed. In de drukte van de straat, te midden van een zakelijke bespreking, kunnen we een smeekbede tot God omhoogzenden en pleiten voor goddelijke leiding, zoals Nehemia deed toen hij zijn verzoek voor legde aan koning Arthaxerxes. Een binnenkamer van gemeenschap kan overal worden gevonden waar we ook zijn. We zouden de deur van ons hart voortdurend open moeten hebben staan en onze uitnodiging omhoog moeten zenden, opdat Jezus als een hemelse gast in de ziel kan komen wonen.

Hoewel er een besmette, verdorven atmosfeer om ons heen kan zijn, hoeven we de giftige dampen ervan niet in te ademen, maar mogen we leven in de zuivere lucht van de hemel. We kunnen elke deur sluiten voor onreine fantasieën en onheilige gedachten door de ziel in de aanwezigheid van God te verheffen via een oprecht gebed. Degenen wier hart openstaat om de steun en zegen van God te ontvangen, zullen in een heiligere atmosfeer wandelen dan die van de aarde en zullen een voortdurende gemeenschap met de hemel hebben.

We moeten een helderder zicht op Jezus hebben en een voller begrip van de waarde van eeuwige werkelijkheden. De schoonheid van heiligheid moet de harten van Gods kinderen vervullen; en opdat dit bewerkt mag worden, moeten we zoeken naar goddelijke openbaringen van hemelse dingen.

Laat de ziel uitgestrekt en omhooggericht zijn, opdat God ons de adem van de hemelse atmosfeer mag schenken. We kunnen zo dicht bij God blijven dat bij elke onverwachte beproeving onze gedachten zich net zo natuurlijk naar Hem keren als de bloem zich naar de zon keert.

Breng uw behoeften, uw vreugde, uw verdriet, uw zorgen en uw angsten voortdurend voor God. U kunt Hem niet overladen; u kunt Hem niet vermoeien. Hij Die de haren van uw hoofd telt, is niet onverschillig voor de behoeften van Zijn kinderen. “De Heere is vol medelijden en ontfermend.” Jakobus 5:11. Zijn liefdevolle hart wordt geraakt door ons verdriet, en zelfs door de manier waarop wij dat verwoorden. Breng alles wat de geest verward maakt naar Hem toe. Niets is te groot voor Hem om te dragen, want Hij houdt werelden in stand en bestuurt alle aangelegenheden van het universum. Niets wat op enigerlei wijze ons innerlijke vrede raakt, is te klein voor Hem om op te merken. Er is geen hoofdstuk in onze levenservaring te donker voor Hem om te lezen; er is geen verwarring te ingewikkeld voor Hem om te ontrafelen. Geen rampspoed kan het geringste van Zijn kinderen treffen, geen bezorgdheid kan de ziel kwellen, geen vreugde kan het hart opvrolijken, en geen oprecht gebed kan de lippen ontsnappen, zonder dat onze hemelse Vader het opmerkt of er direct belangstelling voor toont. “Hij geneest de gebrokenen van hart en verbindt hun wonden.” Psalm 147:3. De relatie tussen God en elke afzonderlijke ziel is zo uniek en volkomen alsof er geen andere ziel op aarde was om Zijn zorgzame waakzaamheid te delen, en geen andere ziel voor wie Hij Zijn geliefde Zoon gaf.

Jezus zei: “Op die dag zult u in Mijn Naam bidden, en Ik zeg u niet dat Ik de Vader voor u zal vragen; want de Vader Zelf heeft u lief.” “Ik heb u uitgekozen, opdat alles wat u de Vader vraagt in Mijn Naam, Hij u dat geeft” (Joh. 16:26, 27; 15:16). Maar bidden in de Naam van Jezus is iets meer dan alleen het noemen van die Naam aan het begin en het einde van een gebed. Het is bidden in de gezindheid en de Geest van Jezus, terwijl we Zijn beloften geloven, op Zijn genade vertrouwen en Zijn werken doen.

God bedoelt niet dat iemand van ons een kluizenaar of monnik moet worden en zich uit de wereld moet terugtrekken om zich aan uitingen van aanbidding te wijden. Het leven moet zijn als het leven van Christus — tussen de berg en de menigte. Wie niets anders doet dan bidden, zal al snel ophouden met bidden, of zijn gebeden zullen verworden tot een formele routine. Wanneer mensen zich terugtrekken uit het sociale leven, weg van het terrein van de christelijke plicht en het dragen van het kruis; wanneer zij ophouden met ijverig te werken voor de Meester, Die ijverig voor hen werkte, verliezen zij de inhoud van het gebed en hebben zij geen drijfveer meer voor toewijding. Hun gebeden worden persoonlijk en zelfzuchtig. Zij kunnen niet bidden met het oog op de behoeften van de mensheid of de opbouw van Christus’ koninkrijk, pleitend voor kracht om mee te werken.

Wanneer we verlies lijden

We lijden een verlies wanneer we het voorrecht verwaarlozen om met elkaar om te gaan om elkaar te versterken en te bemoedigen in de dienst van God. De waarheden van Zijn Woord verliezen dan hun levendigheid en belang in onze geest. Ons hart wordt niet langer verlicht en wakker geschud door hun heiligende invloed, en we nemen af in spiritualiteit. In onze omgang als christenen verliezen we veel door een gebrek aan medeleven met elkaar. Wie zich in zichzelf opsluit, neemt niet de plaats in die God voor hem heeft bedoeld. De juiste ontwikkeling van de sociale elementen in onze natuur brengt ons in harmonie met anderen en is voor ons een middel tot ontplooiing en kracht in de dienst van God.

Als christenen met elkaar zouden omgaan en met elkaar zouden spreken over de liefde van God en over de kostbare waarheden van de verlossing, zouden hun eigen harten verfrist worden en zouden zij elkaar verfrissen. We mogen dagelijks meer leren over onze hemelse Vader en een nieuwe ervaring opdoen met Zijn genade; dan zullen we het verlangen hebben om over Zijn liefde te spreken; en wanneer we dat doen, zullen onze eigen harten verwarmd en bemoedigd worden. Als we meer aan Jezus zouden denken en over Hem zouden spreken, en minder over het eigen ‘ik’, zouden we veel meer van Zijn aanwezigheid ervaren.

Als we maar zo vaak aan God zouden denken als we bewijzen hebben van Zijn zorg voor ons, zouden we Hem altijd in onze gedachten houden en er een vreugde in vinden om over Hem te spreken en Hem te prijzen. We spreken over tijdelijke dingen omdat we er belangstelling voor hebben. We spreken over onze vrienden omdat we van hen houden; onze vreugde en ons verdriet zijn met hen verweven. Toch hebben we een oneindig veel grotere reden om God lief te hebben dan om onze aardse vrienden lief te hebben; het zou de meest natuurlijke zaak van de wereld moeten zijn om Hem de eerste plaats te geven in al onze gedachten, te spreken over Zijn goedheid en te vertellen van Zijn kracht. De rijke gaven die Hij ons heeft geschonken, waren niet bedoeld om onze gedachten en liefde zozeer in beslag te nemen dat we niets meer aan God te geven zouden hebben; ze zijn bedoeld om ons voortdurend aan Hem te herinneren en ons met banden van liefde en dankbaarheid te verbinden aan onze hemelse Weldoener. We leven te dicht bij de laaglanden van de aarde. Laten we onze ogen opslaan naar de geopende deur van het heiligdom daarboven, waar het licht van de heerlijkheid van God straalt in het aangezicht van Christus, Die “ook volkomen kan zaligmaken wie door Hem tot God naderen” (Heb. 7:25).

We moeten God veel meer prijzen “om Zijn goedertierenheid en om Zijn wonderen voor de mensenkinderen” (Ps. 107:8). Onze momenten van aanbidding en gebed moeten niet uitsluitend bestaan uit vragen en ontvangen. Laten we niet altijd aan onze behoeften denken en nooit aan de gunsten die we ontvangen. We bidden beslist niet te veel, maar we zijn te zuinig met dankzeggen. We ontvangen voortdurend Gods barmhartigheden, en toch tonen we zo weinig dankbaarheid en prijzen we Hem zo weinig voor wat Hij voor ons heeft gedaan.

In de oudheid gebood de Heere Israël, wanneer zij samenkwamen voor Zijn dienst: “U moet daar eten voor het aangezicht van de HEERE, uw God, en u moet zich verblijden, u en uw gezinnen, over alles waar u de hand aan slaat, waarin de HEERE, uw God, u gezegend heeft” (Deut. 12:7). Alles wat tot eer van God wordt gedaan, moet met vrolijkheid gebeuren, met lofzangen en dankzegging, en niet met droefheid en somberheid.

Waar we ons verzamelen

Onze God is een tedere, barmhartige Vader. Zijn dienst mag niet worden beschouwd als een hartverscheurende, deprimerende bezigheid. Het moet een vreugde zijn om de Heere te aanbidden en deel te nemen aan Zijn werk. God wil niet dat Zijn kinderen, voor wie zo’n grote redding is bewerkt, zich gedragen alsof Hij een harde, veeleisende slavendrijver is. Hij is hun beste vriend; en wanneer zij Hem aanbidden, verwacht Hij bij hen te zijn, hen te zegenen en te troosten, en hun hart te vervullen met vreugde en liefde. De Heere verlangt dat Zijn kinderen troost putten uit Zijn dienst en meer vreugde dan ontbering vinden in Zijn werk. Hij verlangt dat degenen die komen om Hem te aanbidden, kostbare gedachten aan Zijn zorg en liefde met zich meedragen, opdat zij bemoedigd worden in alle bezigheden van het dagelijkse leven en genade ontvangen om in alle dingen eerlijk en trouw te handelen.

We moeten ons verzamelen rond het kruis. Christus, de Gekruisigde zou het onderwerp moeten zijn van onze overdenking, van onze gesprekken en van onze meest vreugdevolle emotie. We moeten elke zegen die we van God ontvangen in gedachten houden, en wanneer we Zijn grote liefde beseffen, moeten we bereid zijn om alles toe te vertrouwen aan de hand die voor ons aan het kruis genageld is.

De ziel kan op de vleugels van de lofprijzing dichter naar de hemel opstijgen. God wordt in de hemelse hoven aanbeden met zang en muziek, en wanneer we onze dankbaarheid uiten, naderen we de aanbidding van de hemelse legerscharen. “Wie dank offert, eert God” (Ps. 50:23). Laten we met eerbiedige vreugde voor onze Schepper verschijnen, met “dankzegging en de stem der melodie.” (Jes. 51:3).





















Scroll to Top
Home