Kunnen we God kennen?

Kan God, Die onzichtbaar is voor het sterfelijk oog, gekend worden?
Net als onze Heiland zijn wij in deze wereld om God te dienen. Wij zijn hier om qua karakter gelijk te worden aan God, en om Hem door een leven van dienstbaarheid aan de wereld te openbaren. Om medewerkers van God te kunnen zijn, om gelijk aan Hem te worden en Zijn karakter te openbaren, moeten wij Hem naar waarheid kennen. Wij moeten Hem kennen zoals Hij Zichzelf openbaart.
Kennis van God is het fundament van alle ware opvoeding en van alle ware dienstbaarheid. Het is de enige echte bescherming tegen verleiding. Dit alleen is wat ons qua karakter gelijk aan God kan maken.
Dit is de kennis die nodig is voor iedereen die zich inzet voor de verheffing van zijn medemens. Karakterverandering, een zuiver leven, bekwaamheid in dienstbaarheid en het vasthouden aan juiste principes, hangen allemaal af van een rechte kennis van God. Deze kennis is de essentiële voorbereiding, zowel voor dit leven als voor het leven dat komt.
“De vreze des Heeren is het begin der wijsheid,
en de kennis van de Heilige is inzicht.”
Spreuken 9:10
Door de kennis van Hem zijn aan ons, “alle dingen die behoren tot het leven en de godsvrucht” gegeven.
2 Petrus 1:3
Jezus zegt:
“En dit is het eeuwige leven,
dat zij U kennen,
de enige ware God,
en Jezus Christus,
die U hebt gezonden.”
Johannes 17:3
“Alzo zegt de Heere:
Laat de wijze man roem dragen op zijn wijsheid,
noch laat de machtige man roem dragen op zijn macht,
of de rijke man roem dragen op zijn rijkdom:
Maar laat hem die roem draagt, roem dragen hierin:
dat hij Mij begrijpt en kent,
dat Ik de Heere ben Die goedertierenheid,
recht en gerechtigheid oefent op de aarde;
want in deze dingen vind Ik vreugde, zegt de Heere.”
Jeremia 9:23, 24
Het is nodig dat we de openbaringen bestuderen die God van Zichzelf heeft gegeven:
“Maakt u nu toch kennis met Hem,
en heb vrede:
daardoor zal het goede naar u toe komen.
Ontvang, zo bid ik u, de wet uit Zijn mond,
en berg Zijn woorden op in uw hart.
Als u terugkeert naar de Almachtige,
zult u opgebouwd worden,
als u de ongerechtigheid ver wegdoet uit uw tenten.
En leg uw kostbare schat in het stof,
en het goud van Ofir tussen de stenen van de beken;
dan zal de Almachtige uw kostbare schat zijn,
en glanzend zilver voor u.
Want dan zult u zich verblijden in de Almachtige,
en uw gezicht opheffen naar God.
U zult uw gebed tot Hem richten,
en Hij zal u verhoren;
en u zult uw geloften nakomen.
U zult ook een besluit nemen,
en het zal voor u standhouden;
en licht zal schijnen op uw wegen.
Wanneer men u neerwerpt,
zult u zeggen: Er is herstel;
en de nederige persoon zal Hij redden.”
Job 22:21-29 (ARV)
“Want de onzichtbare dingen van Hem worden sinds de schepping van de wereld helder gezien,
omdat ze worden waargenomen door de dingen die gemaakt zijn,
Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid;
opdat zij niet te verontschuldigen zijn:”
Romeinen 1:20 (ARV)
De dingen van de natuur die we nu aanschouwen, geven ons slechts een flauwe voorstelling van de heerlijkheid van Eden. De zonde heeft de schoonheid van de aarde geschonden; op alle dingen zijn sporen te zien van het werk van het kwaad. Toch blijft er veel over wat mooi is. De natuur getuigt dat Eén die oneindig is in macht, groot in goedheid, barmhartigheid en liefde, de aarde heeft geschapen en haar heeft gevuld met leven en blijdschap. Zelfs in hun geschonden staat openbaren alle dingen het handwerk van de grote Meester-Kunstenaar. Waar we ons ook heen wenden, we kunnen de stem van God horen en bewijzen van Zijn goedheid zien.
Van de plechtige galm van de zware donder en het niet-aflatende bruisen van de oude oceaan, tot de vrolijke liederen waarmee de bossen weerklinken van melodie — de tienduizend stemmen van de natuur spreken Zijn lof. In aarde, zee en hemel, met hun wonderbaarlijke tinten en kleuren, variërend in schitterend contrast of harmonieus in elkaar overlopend, aanschouwen wij Zijn glorie. De eeuwige heuvels vertellen ons over Zijn macht. De bomen die hun groene vaandels wiegen in het zonlicht, en de bloemen in hun delicate schoonheid, wijzen naar hun Schepper. Het levendige groen dat de bruine aarde bedekt als een tapijt, getuigt van Gods zorg voor de nederigste van Zijn schepselen. De grotten van de zee en de diepten van de aarde openbaren Zijn schatten. Hij die de parels in de oceaan plaatste, en de amethist en de chrysoliet tussen de rotsen, is een liefhebber van het schone. De zon die aan de hemel opgaat, is een vertegenwoordiger van Hem die het leven en het licht is van alles wat Hij heeft gemaakt. Al de glans en schoonheid die de aarde sieren en de hemelen verlichten, spreken van God.
“Zijn heerlijkheid bedekte de hemelen,
en de aarde was vol van Zijn lof.”
Habakuk 3:3b
“O HEER, hoe talrijk zijn Uw werken!
In wijsheid heeft U ze allemaal gemaakt:
de aarde is vol van Uw rijkdommen.”
Psalm 104:24
“Dag aan dag spreekt overvloedig,
en nacht aan nacht toont kennis.
Er is geen spraak en er zijn geen woorden,
waar hun stem niet wordt gehoord.
Hun meetsnoer is uitgegaan over de hele aarde,
en hun woorden tot het einde van de wereld.
In hen heeft Hij een tent opgezet voor de zon.”
Psalm 19:2-4
Alles getuigt van Zijn tedere, vaderlijke zorg en van Zijn verlangen om Zijn kinderen gelukkig te maken.
De geweldige kracht die door de hele natuur werkt en alle dingen in stand houdt, is niet wat sommige geleerden beweren, een allesdoordringend principe of een energievorm die de boel in beweging heeft gezet. God is een geest, maar Hij is tegelijkertijd een persoonlijk wezen; want zo heeft Hij Zichzelf bekendgemaakt:
“Maar de HEERE is de ware God,
Hij is de levende God en een eeuwige Koning:
bij Zijn toorn zal de aarde beven,
en de volken zullen niet in staat zijn Zijn verontwaardiging te verdragen.”
“Dit zult u tegen hen zeggen:
De goden die de hemelen en de aarde niet gemaakt hebben,
zij zullen vergaan van de aarde en van onder deze hemelen.”
“Het deel van Jakob is niet als hen:
want Hij is de Formeerder van alle dingen;
en Israël is de staf van Zijn erfdeel:
De HEERE van de legermachten is Zijn naam.”
“Hij heeft de aarde gemaakt door Zijn kracht,
Hij heeft de wereld gegrondvest door Zijn wijsheid,
en heeft de hemelen uitgespannen door Zijn verstand.”
Jeremia 10:10, 11, 16, 12
De natuur is niet God
Gods handwerk in de natuur is niet God Zelf in de natuur. De dingen van de natuur zijn een uitdrukking van Gods karakter en macht; maar we moeten de natuur niet als God beschouwen. De artistieke vaardigheid van de mens brengt zeer prachtig vakmanschap voort, dingen die het oog strelen, en deze dingen openbaren ons iets van de gedachten van de ontwerper; maar het gemaakte ding is niet de maker. Het is niet het werk, maar de werkman, die het waard geacht wordt te worden geëerd. Dus hoewel de natuur een uitdrukking is van Gods gedachte, is het niet de natuur, maar de God van de natuur, die verhoogd moet worden.
“O kom, laat ons aanbidden en neerbuigen:
laat ons knielen voor de HEER, onze Maker.”
Psalm 95:6
“In Zijn hand zijn de diepe plaatsen van de aarde;
de hoogten van de bergen zijn eveneens van Hem.
De zee is van Hem, en Hij heeft haar gemaakt;
en Zijn handen hebben het droge land gevormd.”
Psalm 95:4, 5 (ARV)
“Zoek Hem Die de zeven sterren en Orion maakt,
en de schaduw van de dood verandert in de ochtend,
en de dag donker maakt met de nacht:
Die roept om de wateren van de zee,
en ze uitgiet over het oppervlak van de aarde:
De HEERE is Zijn naam.
“Want zie,
Hij die de bergen vormt,
en de wind schept,
en aan de mens bekendmaakt wat Zijn gedachte is;
die de dageraad tot duisternis maakt,
en wandelt op de hoogten van de aarde —
Jehovah, de God van de legermachten,
is Zijn naam.”
Amos 5:8; 4:13 (ARV)
“Hij die Zijn bovenvertrekken in de hemel bouwt,
en Zijn gewelf op de aarde heeft gegrondvest;
Hij die de wateren van de zee roept,
en ze uitgiet over de oppervlakte van de aarde —
Jehovah is Zijn naam.”
Amos 9:6 (ARV)
De schepping van de aarde
Het werk van de schepping kan niet door de wetenschap worden verklaard. Welke wetenschap kan het mysterie van het leven verklaren?
“Door geloof begrijpen wij dat de werelden gevormd zijn door het woord van God,
zodat de dingen die gezien worden,
niet gemaakt zijn uit dingen die verschijnen.”
Hebreeën 11:3
“Ik formeer het licht, en creëer duisternis:
Ik maak vrede, en schep het onheil:
Ik de HEERE doe al deze dingen.”
“Ik heb de aarde gemaakt,
en de mens erop gecreëerd:
Ik, ja Mijn handen, hebben de hemelen uitgespannen,
en aan al hun legermachten heb Ik bevelen gegeven.
“Mijn hand heeft ook het fundament van de aarde gelegd,
en Mijn rechterhand heeft de hemelen uitgespannen:
wanneer Ik hen roep, staan zij samen op.”
Jesaja 45:7, 12; 48:13
Bij de schepping van de aarde was God niet afhankelijk van een al bestaande materie.
“Want Hij sprak, en het was er;
Hij gebood, en het stond vast.”
Psalm 33:9
Alle dingen, zowel tastbaar als geestelijk, verschenen voor de Heere God op Zijn stem. Ze werden gemaakt voor Zijn persoonlijke bedoeling. De hemel en al de hemellegers, de aarde en alles wat zij bevat, ontstonden door de adem van Zijn mond.
In de schepping van de mens werd de werking van een persoonlijke God zichtbaar. Toen God de mens naar Zijn beeld had gemaakt, was het menselijk lichaam volmaakt van vorm, maar er zat nog geen leven in. Toen blies een persoonlijke God, die het leven in Zichzelf heeft, de levensadem in die vorm, en de mens werd een levend, denkend wezen. Alle delen van het menselijk lichaam werden in werking gesteld. Het hart, de slagaders, de aderen, de tong, de handen, de voeten, de zintuigen en het denkvermogen: alles begon te werken en werd onder een wet geplaatst. De mens werd een levende ziel. Door Christus, het Woord, schiep een persoonlijke God de mens en gaf hem verstand en kracht.
Onze beenderen waren voor U niet verborgen toen wij in het geheim gemaakt werden. Uw ogen zagen ons lichaam toen het nog ongevormd was. In Uw boek stonden al onze levensdagen opgeschreven, toen er nog geen één van bestond.
God bepaalde dat de mens, als kroon op Zijn schepping, boven alle andere wezens Zijn gedachten zou uitdrukken en Zijn heerlijkheid zou weerspiegelen. Maar de mens moet zichzelf nooit als God gaan vereren.
“Dien de HEERE met blijdschap:
verschijn voor Zijn aangezicht met gezang.
Weet dat de HEERE God is:
Hij is het die ons heeft gemaakt,
en niet wij onszelf;
wij zijn Zijn volk,
en de schapen van Zijn weide.
Ga Zijn poorten binnen met dankzegging,
en Zijn voorhoven met lofprijs:
wees dankbaar jegens Hem,
en prijs Zijn naam.”
“Verhoog de HEERE, onze God,
en aanbid bij Zijn heilige berg;
want de HEERE onze God is heilig.”
Psalm 100:1-4; 99:9
God is voortdurend bezig de dingen die Hij gemaakt heeft in stand te houden en als Zijn dienaren te gebruiken. Hij werkt door de wetten van de natuur en gebruikt ze als Zijn instrumenten. Deze wetten doen hun werk niet uit zichzelf. Alles in de natuur getuigt van de intelligente aanwezigheid en het actieve handelen van een Wezen dat alles naar Zijn wil bestuurt.
“Voor eeuwig, o HEER,
staat Uw woord vast in de hemel.
Uw trouw is er van generatie op generatie:
U hebt de aarde gegrondvest, en zij houdt stand.
Zij blijven tot op de dag van vandaag bestaan volgens Uw verordeningen:
want alles dient U.”
Psalm 119:89-91
“Al wat de HEER behaagde,
dat deed Hij in de hemel en op de aarde,
in de zeeën en alle diepe plaatsen.”
“Laten zij de naam van de Heer prijzen:
want Hij beval, en zij werden geschapen.
Hij heeft ze ook voor eeuwig en altijd vastgezet:
Hij heeft een wet gesteld die niet overtreden zal worden.”
Psalm 135:6; 148:5, 6
Het is niet door een ingebouwde, aangeboren kracht dat de aarde jaar in, jaar uit haar overvloed schenkt en steeds haar baan om de zon vervolgt. De hand van de Oneindige is constant bezig deze planeet te leiden. Het is de kracht van God, die onophoudelijk wordt uitgeoefend, die de aarde in haar omwenteling steeds op de juiste positie houdt. Het is God die de zon doet opkomen aan de hemel. Hij opent de vensters van de hemel en geeft regen.
“Hij geeft sneeuw als wol:
Hij strooit de rijp uit als as.”
Psalm 147:16
“Wanneer Hij Zijn stem laat horen,
is er een menigte van wateren in de hemel,
en Hij laat dampen opstijgen van de einden der aarde;
Hij maakt bliksemflitsen bij de regen,
en brengt de wind tevoorschijn uit Zijn schatkamers.”
Jeremia 10:13
Het is door Zijn kracht dat de planten groeien, dat elk blad verschijnt, elke bloem bloeit en elke vrucht zich ontwikkelt.
Het mechanisme van het menselijk lichaam kan niet volledig worden begrepen; het bevat verborgenheden die zelfs voor de meest geleerde mensen onverklaarbaar zijn. Het is niet zo dat de pols slaat en de ademhaling regelmatig gaat als het resultaat van een machine die, eenmaal op gang gebracht, zijn werk automatisch blijft doen. In God leven, bewegen en zijn wij. Het kloppende hart, de slaande pols en elke zenuw en spier in het levende lichaam worden in goede staat en voortdurend actief gehouden door de kracht van een altijd aanwezige God.
De Bijbel laat ons zien dat God op Zijn hoge en heilige plaats is. Hij verkeert niet in een staat van passiviteit of in stille eenzaamheid, maar is omringd door tienduizend maal tienduizend heilige wezens die allemaal klaarstaan om Zijn wil te doen. Door deze boodschappers staat Hij in actieve verbinding met elk deel van Zijn koninkrijk. Door Zijn Geest is Hij overal aanwezig. Door de werking van Zijn Geest en Zijn engelen dient Hij de mensheid.
Boven de chaos van de wereld zit Hij op Zijn troon. Alle dingen liggen open voor Zijn goddelijke aangezicht, en vanuit Zijn grote, rustige eeuwigheid bestuurt Hij wat in Zijn voorzienigheid het beste is.
“O HEER, ik weet dat de weg van de mens niet in hemzelf ligt:
het ligt niet in de macht van de mens die wandelt om zijn eigen stappen te besturen.”
Jeremia 10:23
“Vertrouw op de HEER met heel uw hart,
en steun niet op uw eigen inzicht.
Ken Hem in al uw wegen,
en Hij zal uw paden rechtmaken.”
Spreuken 3:5, 6
“Zie, het oog van de HEER is op hen die Hem vrezen,
op hen die op Zijn liefdevolle vriendelijkheid hopen;
Om hun ziel te redden van de dood,
en hen in het leven te behouden tijdens hongersnood.”
“Hoe kostbaar is Uw liefdevolle vriendelijkheid, o God!
En de mensenkinderen nemen hun toevlucht onder de schaduw van Uw vleugels.”
“Gelukkig is hij die de God van Jakob als Zijn hulp heeft,
wiens hoop gevestigd is op de HEERE, zijn God:”
Psalm 33:18, 19; 36:7 (ARV); 146:5
“De aarde, o Jehovah,
is vol van Uw goedertierenheid:
leer mij Uw verordeningen.”
“Hij heeft gerechtigheid en recht lief:
de aarde is vol van de goedertierenheid van Jehovah.”
“Door ontzagwekkende daden antwoordt U ons in rechtvaardigheid,
o God van onze redding,
U die het vertrouwen bent van alle einden der aarde,
en van hen die ver weg op de zee zijn;
Die door Zijn kracht de bergen vastzet,
terwijl Hij met macht is omgord;
Die het brullen van de zeeën stilt,
het bruisen van hun golven,
en het rumoer van de volken.
Ook zij die in de verste uithoeken wonen,
zijn bevreesd voor Uw tekenen:
U laat de uitgangen van de morgen en de avond juichen.
U kroont het jaar met Uw goedheid;
en Uw paden druipen van vettigheid.”
Psalm 119:64 (ARV); 33:5; 65:5-7 (ARV); Psalm 8, 11, 12 (ARV)
“Laat de hele aarde de HEERE vrezen:
laten alle bewoners van de wereld eerbied voor Hem hebben.”
“De raadsbesluiten van de HEER houden voor eeuwig stand,
de gedachten van Zijn hart voor alle generaties.”
Psalm 65:8, 11
“De Heer ondersteunt allen die vallen,
en richt allen op die neergebogen zijn.
De ogen van allen zijn op U gericht;
en U geeft hen hun voedsel op de juiste tijd.
De HEER is rechtvaardig in al Zijn wegen,
en heilig in al Zijn werken.
De HEER is nabij allen die Hem aanroepen,
allen die Hem aanroepen in waarheid.“
Psalm 145:14-16
De persoonlijkheid van God geopenbaard in Christus
Als een persoonlijk wezen heeft God Zichzelf geopenbaard in Zijn Zoon. Als de uitstraling van de heerlijkheid van de Vader, “en het exacte evenbeeld van Zijn Persoon” (Hebreeën 1:3), kwam Jezus als een persoonlijke Heiland naar de wereld. Als een persoonlijke Heiland is Hij opgevaren naar de hemel. Als een persoonlijke Heiland pleit Hij in de hemelse rechtszalen. Voor de troon van God dient ten behoeve van ons “Iemand als de Zoon des mensen.” (Openbaring 1:13)
Christus, het Licht van de wereld, versluierde de oogverblindende pracht van Zijn goddelijkheid en kwam als mens tussen de mensen wonen, zodat zij — zonder te worden verteerd — bekend konden raken met hun Schepper. Sinds de zonde scheiding bracht tussen de mens en zijn Maker, heeft niemand ooit God gezien, behalve zoals Hij geopenbaard is door Christus.
Christus zei:
“Ik en Mijn Vader zijn één.”
Johannes 10:30
“Alle dingen zijn Mij overgegeven door Mijn Vader;
en niemand kent de Zoon dan de Vader,
en niemand kent de Vader dan de Zoon,
en hij aan wie de Zoon het wil openbaren.”
Mattheüs 11:27
Christus kwam om de mensen te leren wat God wil dat zij weten. In de hemelen hierboven, op de aarde en in de weidse wateren van de oceaan zien we het handwerk van God. Al het geschapene getuigt van Zijn kracht, Zijn wijsheid en Zijn liefde. Toch kunnen we noch uit de sterren, noch uit de oceaan of de waterval leren over de persoonlijkheid van God zoals die in Christus is geopenbaard.
God zag dat er een duidelijkere openbaring dan de natuur nodig was om zowel Zijn persoonlijkheid als Zijn karakter te beschrijven. Hij zond Zijn Zoon naar de wereld om, voor zover het menselijk oog dat kon verdragen, de natuur en de eigenschappen van de onzichtbare God zichtbaar te maken.
Geopenbaard aan de discipelen
Laten wij de woorden bestuderen die Christus sprak in de bovenzaal, in de nacht vóór Zijn kruisiging. Hij naderde het uur van Zijn beproeving, en Hij zocht Zijn discipelen te troosten, die zo zwaar op de proef gesteld en verzocht zouden worden.
Hij zei:
“Laat uw hart niet verontrust worden,
U gelooft in God, geloof ook in Mij.
In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen:
als dat niet zo was, zou Ik het u gezegd hebben.
Ik ga heen om een plaats voor u gereed te maken.
En als Ik heenga en een plaats voor u gereedmaak,
zal Ik terugkomen en u tot Mij nemen,
opdat ook u zult zijn waar Ik ben.
En waar Ik heen ga, weet u, en de weg weet u.”
“Thomas zei tegen Hem:
Heer, wij weten niet waar U heen gaat;
en hoe kunnen wij de weg weten?
Jezus zei tegen hem:
Ik ben de weg, de waarheid en het leven:
niemand komt tot de Vader dan door Mij.
Als u Mij gekend had, zou u ook Mijn Vader gekend hebben:
en vanaf nu kent u Hem en hebt u Hem gezien.”
“Filippus zei tegen Hem:
Heer, toon ons de Vader,
en het is ons genoeg.
Jezus zei tegen hem:
Ben Ik al zo’n lange tijd bij u,
en kent u Mij nog niet, Filippus?
Wie Mij gezien heeft,
heeft de Vader gezien;
en hoe kunt u dan zeggen:
Toon ons de Vader?
Gelooft u niet dat Ik in de Vader ben,
en de Vader in Mij is?
De woorden die Ik tot u spreek,
spreek Ik niet uit Mezelf:
maar de Vader die in Mij woont,
Hij doet de werken.”
Johannes 14:1-10
De discipelen begrepen de woorden van Christus omtrent Zijn relatie tot God toen nog niet. Veel van Zijn onderwijs was voor hen nog duister. Christus verlangde ernaar dat zij een duidelijkere, meer uitgesproken kennis van God zouden hebben.
“Deze dingen heb Ik in gelijkenissen tot u gesproken,” zei Hij; “maar de tijd komt dat Ik niet meer in gelijkenissen tot u zal spreken, maar u openlijk van de Vader zal vertellen.” (Johannes 16:25)
Toen op de Pinksterdag de Heilige Geest werd uitgestort op de discipelen, begrepen zij de waarheden die Christus in gelijkenissen had gesproken vollediger. Veel van het onderwijs dat voor hen een mysterie was geweest, werd verduidelijkt. Maar zelfs toen ontvingen de discipelen nog niet de volledige vervulling van Christus’ belofte. Zij ontvingen alle kennis van God die zij konden dragen, maar de volledige vervulling van de belofte dat Christus hun openlijk van de Vader zou vertellen, moest nog komen.
Zo is het ook vandaag. Onze kennis van God is gedeeltelijk en onvolmaakt. Wanneer de strijd is gestreden, en de Mens Christus Jezus voor de Vader Zijn getrouwe arbeiders erkent, die in een wereld van zonde een waarachtig getuigenis voor Hem hebben afgelegd, zullen zij helder begrijpen wat nu nog mysteries voor hen zijn.
Christus nam Zijn verheerlijkte menselijkheid met Zich mee naar de hemelse hoven. Aan degenen die Hem aannemen, geeft Hij de macht om kinderen van God te worden, opdat God hen ten slotte als de Zijne mag ontvangen, om tot in alle eeuwigheid bij Hem te wonen. Als zij tijdens dit leven loyaal zijn aan God, zullen zij ten slotte “Zijn aangezicht zien; en Zijn naam zal op hun voorhoofd zijn”. Openbaring 22:4. En wat is het geluk van de hemel anders dan God te zien? Welke grotere vreugde zou de zondaar, gered door de genade van Christus, ten deel kunnen vallen dan het aangezicht van God te zien en Hem te kennen als Vader?
De Schriften wijzen heel duidelijk op de relatie tussen God en Christus, en zij laten even duidelijk de persoonlijkheid en de individualiteit van ieder afzonderlijk zien.
“God, die in het verleden op verschillende tijden en op uiteenlopende manieren via de profeten tot de vaderen heeft gesproken,
heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken via Zijn Zoon,
die Hij heeft aangewezen als erfgenaam van alle dingen,
door wie Hij ook de werelden heeft gemaakt;
Hij, die de afstraling is van Zijn heerlijkheid en de exacte afdruk van Zijn wezen,
en die alle dingen draagt door het woord van zijn kracht,
is, nadat Hij uit Zichzelf de reiniging van onze zonden had bewerkt,
gaan zitten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen.
Hij is zo veel hoger geworden dan de engelen,
naarmate Hij door erfopvolging een voortreffelijkere naam heeft verkregen dan zij.
Want tegen wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd:
U bent Mijn Zoon,
heden heb Ik U verwekt?
En elders:
Ik zal Hem tot een Vader zijn,
en Hij zal Mij tot een Zoon zijn?”
Hebreeën 1:1-5
De persoonlijkheid van de Vader en de Zoon, en ook de eenheid die tussen Hen bestaat, worden gepresenteerd in het zeventiende hoofdstuk van Johannes, in het gebed van Christus voor Zijn discipelen:
“En Ik bid niet alleen voor hen,
maar ook voor degenen die door hun woord in Mij zullen geloven;
Opdat zij allen één zullen zijn;
zoals U, Vader, in Mij bent en Ik in U,
dat ook zij één zullen zijn in Ons:
opdat de wereld zal geloven dat U Mij gezonden hebt.”
Johannes 17:20, 21
De eenheid tussen Christus en Zijn volgelingen doet de eigen persoonlijkheid van geen van beiden teniet. Zij zijn één in streven, in gedachten en in karakter, maar niet in persoon. Dit is precies hoe ook God en Christus één zijn.
Het Karakter van God Geopenbaard in Christus
Door de menselijke natuur op Zich te nemen, kwam Christus om één te worden met de mensheid en tegelijkertijd onze hemelse Vader te openbaren aan zondige mensen. Hij, die vanaf het begin in de aanwezigheid van de Vader was geweest en het evenbeeld was van de onzichtbare God, was als enige in staat om het karakter van de Godheid aan de mensheid te openbaren. Hij werd in alle opzichten gelijk aan Zijn broeders gemaakt. Hij werd vlees, net zoals wij. Hij had honger, dorst en was vermoeid. Hij werd gevoed door voedsel en verkwikt door slaap. Hij deelde het lot van de mens, en toch was Hij de onberispelijke Zoon van God. Hij was een vreemdeling en een reiziger op aarde — wel in de wereld, maar niet van de wereld. Hij werd gekwetst en op de proef gesteld zoals mannen en vrouwen vandaag de dag worden gekwetst en op de proef gesteld, maar Hij leidde een leven zonder zonde. Liefdevol, medelevend, empathisch en altijd zorgzaam voor anderen vertegenwoordigde Hij het karakter van God, en Hij zette Zich voortdurend in voor God en de mens.
Hij zei:
“De Geest van de Heere Jehova rust op Mij,
omdat Jehova Mij heeft gezalfd om een goede boodschap te brengen aan de zachtmoedigen;
Hij heeft Mij gezonden om degenen met een gebroken hart te helen,
om vrijheid uit te roepen voor de gevangenen en de opening van de kerker voor hen die geketend zijn;”
“De Geest van de Heer is op Mij,
omdat Hij Mij heeft gezalfd om het evangelie aan de armen te verkondigen;
Hij heeft Mij gezonden om de gebrokenen van hart te genezen,
om aan de gevangenen vrijlating te prediken,
en aan de blinden het herstel van het gezicht,
om hen die verbrijzeld zijn in vrijheid heen te zenden,”
“Om het jaar van Jehova’s welbehagen uit te roepen,
en de dag van de wraak van onze God;
om allen die treuren te troosten;”
Jesaja 61:1; Lukas 4:18; Jesaja 61:2
“Heb uw vijanden lief,” draagt Hij u op; “zegen hen die u vervloeken, doe goed aan hen die u haten, en bid voor hen die u kwaadwillig doen en vervolgen; zodat u kinderen mag zijn van uw Vader die in de hemel is;” “want Hij is vriendelijk voor de ondankbaren en de slechten.” “Hij laat Zijn zon opgaan over slechte en goede mensen, en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.” “Wees daarom barmhartig, zoals ook uw Vader barmhartig is.”
Mattheüs 5:44, 45; Lukas 6:35, 36
“Door de innige barmhartigheid van onze God,
waarmee de Opgang uit de hoogte ons heeft bezocht,
om licht te geven aan hen die in duisternis en in de schaduw van de dood zitten,
om onze voeten te richten op de weg van de vrede.”
Lukas 1:78, 79
De heerlijkheid van het kruis
De openbaring van Gods liefde voor de mens vindt haar middelpunt in het kruis. De volledige betekenis ervan kan geen tong uitspreken, geen pen beschrijven en het menselijk verstand niet bevatten.
Als we kijken naar het kruis van Calvary, kunnen we alleen maar zeggen: “Want God had de wereld zo lief, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gaf, zodat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.” (Johannes 3:16)
Christus, gekruisigd voor onze zonden; Christus, opgestaan uit de dood; Christus, opgevaren naar de hemel — dat is de wetenschap van de redding die wij moeten leren en onderwijzen.
Het was Christus
“Die, hoewel Hij in de gedaante van God bestond,
het aan God gelijk zijn niet beschouwde als iets om aan vast te klampen,
maar Zichzelf ontledigde,
de gedaante van een dienstknecht aannam en aan de mensen gelijk werd;
en in Zijn uiterlijke verschijning als een mens bevonden,
vernederde Hij Zichzelf en werd gehoorzaam tot in de dood,
ja, de dood van het kruis.”
Filippenzen 2:6-8 (ASV)
“Wie is het die veroordeelt?
Het is Christus die gestorven is,
ja, sterker nog, die ook is opgewekt,
die ook aan de rechterhand van God is,
die ook voor ons pleit.”
Romeinen 8:34
“Daarom kan Hij ook volkomen redden wie door Hem tot God naderen,
aangezien Hij altijd leeft om voor hen te pleiten.”
Hebreeën 7:25
Want wij hebben geen Hogepriester die niet kan meevoelen met onze zwakheden,
maar Eén die in alle opzichten op dezelfde wijze als wij op de proef is gesteld,
maar zonder te zondigen.
Hebreeën 4:15 (ARV)
Door de gave van Christus ontvangen wij elke zegening. Via die gave stroomt dag na dag de onuitputtelijke goedheid van Jehova naar ons toe. Elke bloem, met haar delicate tinten en haar geur, is via die ene Gave aan ons gegeven om van te genieten. De zon en de maan zijn door Hem gemaakt. Er is geen ster die de hemel opsiert die Hij niet heeft gemaakt. Elke regendruppel die valt, elke lichtstraal die op onze ondankbare wereld schijnt, getuigt van de liefde van God in Christus. Alles wordt ons geschonken via die ene onuitsprekelijke Gave: Gods eniggeboren Zoon. Hij werd aan het kruis genageld zodat al deze weldaden naar Gods scheppingswerk konden stromen.
“Zie, hoe groot is de liefde die de Vader ons gegeven heeft,
dat wij kinderen van God worden genoemd;
daarom kent de wereld ons niet,
omdat zij Hem niet heeft gekend.”
1 Johannes 3:1
“Want van oudsher heeft men het niet gehoord,
noch met het oor vernomen,
en geen oog heeft een God gezien buiten U,
die werkt voor wie op Hem wacht.”
Jesaja 64:4 (ASV)
De transformatie die kennis teweegbrengt
De kennis van God zoals die in Christus is geopenbaard, is de kennis die iedereen die gered wordt, moet bezitten. Het is de kennis die zorgt voor een transformatie van het karakter. Wanneer deze kennis wordt aangenomen, zal zij de ziel herscheppen naar het evenbeeld van God. Zij zal aan het hele wezen een geestelijke kracht schenken die goddelijk is.
“Wij allen nu,
die met een onbedekt gezicht de heerlijkheid van de Heer als in een spiegel aanschouwen,
worden veranderd naar hetzelfde beeld,
van heerlijkheid tot heerlijkheid,
door de Geest van de Heere“
2 Korintiërs 3:18 (ARV)
Over Zijn eigen leven getuigde de Heiland:
“Als u Mijn geboden in acht neemt,
zult u in Mijn liefde blijven;
zoals Ik de geboden van Mijn Vader in acht heb genomen en in Zijn liefde blijf.”
“En Hij die Mij gezonden heeft, is met Mij:
de Vader heeft Mij niet alleen gelaten;
want Ik doe altijd die dingen die Hem behagen.”
Johannes 15:10; Johannes 8:29
Zoals Jezus was in Zijn menselijke natuur, zo wil God dat Zijn volgelingen zijn. In Zijn kracht moeten wij het reine en edele leven leiden dat de Heiland leefde.
“Om deze reden,” zegt Paulus, “buig ik mijn knieën voor de Vader van onze Heere Jezus Christus, naar wie de hele familie in de hemel en op aarde is genoemd, opdat Hij u geeft, naar de rijkdom van Zijn glorie, om met kracht gesterkt te worden door Zijn Geest in de innerlijke mens; zodat Christus door het geloof in uw hart mag wonen; en dat u, geworteld en gefundeerd in de liefde, samen met alle heiligen ten volle kunt begrijpen wat de breedte, lengte, diepte en hoogte is; en de liefde van Christus leert kennen die elk verstand te boven gaat, opdat u vervuld mag worden tot heel de volheid van God.”
Efeze 3:14-19
“Daarom stoppen wij ook,
vanaf de dag dat we het hoorden,
niet met voor u te bidden.
We vragen dat u vervuld mag worden met de kennis van Zijn wil,
door alle wijsheid en geestelijk inzicht;
Zodat u een leven leidt dat de Heere waardig is en Hem in alles behaagt,
terwijl u vrucht draagt in elk goed werk en groeit in de kennis van God;
En dat u met alle kracht gesterkt mag worden,
in overeenstemming met Zijn glorieuze macht,
om met vreugde in alle situaties te volharden en geduldig te zijn.”
Kolossenzen 1:9-11
Dit is de kennis die God ons uitnodigt aan te nemen, en zonder welke al het andere leeg en waardeloos is.