De oorsprong van het kwaad

Een onverklaarbaar mysterie
Voor veel denkers zijn de oorsprong van de zonde en de reden van haar bestaan een bron van grote verwarring. Zij zien het werk van het kwaad, met alle verschrikkelijke gevolgen van verdriet en verwoesting. Hierdoor vragen zij zich af hoe dit alles kan bestaan onder de soevereiniteit van een God die oneindig is in wijsheid, in kracht en in liefde. Dit is een mysterie waarvoor zij geen verklaring vinden. Door hun onzekerheid en twijfel worden zij blind voor waarheden die duidelijk in Gods Woord zijn geopenbaard, en die essentieel zijn voor onze redding.
Het is onmogelijk om de oorsprong van de zonde zo te verklaren dat er een reden voor haar bestaan wordt gegeven. Toch kan er genoeg worden begrepen van zowel de oorsprong als de uiteindelijke afhandeling van de zonde. Dit is voldoende om de rechtvaardigheid en de liefdevolle goedheid van God in al Zijn handelingen met het kwaad volledig te openbaren.
Niets wordt duidelijker geleerd in de Heilige Schrift dan dat God op geen enkele wijze verantwoordelijk was voor de intrede van de zonde. Er was geen sprake van een willekeurig intrekken van goddelijke genade. Ook was er geen tekortkoming in het goddelijke bestuur die aanleiding gaf tot het ontstaan van rebellie.
De zonde is een indringer voor wiens aanwezigheid geen reden kan worden gegeven. Ze is mysterieus en onverklaarbaar. Haar verontschuldigen is haar verdedigen. Als er een verontschuldiging voor te vinden zou zijn, of een oorzaak voor haar bestaan kon worden aangetoond, dan zou zij ophouden zonde te zijn. Onze enige definitie van de zonde is de definitie die in het Woord van God wordt gegeven: “Ieder die de zonde doet, overtreedt ook de wet; want de zonde is de overtreding van de wet” (1 Joh. 3:4). Zij is de uitwerking van een principe dat in strijd is met de grote wet van de liefde, welke het fundament vormt van het goddelijke bestuur.
Harmonie in het universum
Vóór de intrede van het kwaad heersten er vrede en vreugde in het hele universum. Alles was in volmaakte harmonie met de wil van de Schepper. De liefde voor God was oppermachtig en de liefde voor elkaar onpartijdig. Christus het Woord, de eniggeborene van God, was één met de eeuwige Vader — één in natuur, in karakter en in doel. Hij was het enige Wezen in het hele universum dat deel kon hebben aan alle raadsbesluiten en plannen van God. Door Christus werkte de Vader aan de schepping van alle hemelse wezens. “Want door Hem zijn alle dingen geschapen die in de hemelen en die op de aarde zijn, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en voor Hem geschapen” (Kol. 1:16). En aan Christus, evenals aan de Vader, betoonde de hele hemel loyaliteit.
Aangezien de wet van de liefde het fundament is van het bestuur van God, hing het geluk van alle geschapen wezens af van hun volmaakte afstemming op de grote principes van rechtvaardigheid. God verlangt van al Zijn schepselen een dienst van liefde — hulde die voortkomt uit een verstandige waardering van Zijn karakter. Hij schept geen behagen in een afgedwongen loyaliteit. Aan iedereen schenkt Hij keuzevrijheid, zodat men Hem een vrijwillige dienst kan bewijzen.
Maar er was er één die ervoor koos deze vrijheid te misbruiken. De zonde begon bij hem die, na Christus, het meest door God was geëerd en de hoogste positie in macht en heerlijkheid innam onder de bewoners van de hemel. Vóór zijn val was Lucifer de eerste van de beschuttende cherubs, heilig en onbevlekt. “Zo zegt de Heere God: U was het toonbeeld van perfectie, vol wijsheid en volmaakt in schoonheid. U bent in Eden geweest, de tuin van God; elk kostbaar gesteente was uw bedekking. U bent de gezalfde, beschuttende cherub, en Ik heb u zo geplaatst; u was op de heilige berg van God; u heeft gewandeld te midden van de vurige stenen. U was volmaakt in uw wegen vanaf de dag dat u geschapen werd, totdat er ongerechtigheid in u werd gevonden” (Ezech. 28:12-15, 17).
Lucifer had in de gunst van God kunnen blijven staan, geliefd en geëerd door het hele engelenleger. Hij had zijn edele vermogens kunnen gebruiken om anderen te zegenen en zijn Maker te verheerlijken. Maar, zo zegt de profeet: “Uw hart was hoogmoedig geworden vanwege uw schoonheid, u heeft uw wijsheid verduisterd vanwege uw glans” (Ezech. 28:217).
Stap voor stap gaf Lucifer toe aan een verlangen naar zelfverheerlijking. “U heeft uw hart gemaakt als het hart van God” (Ezech. 28:6). “Want u heeft in uw hart gezegd: “Ik zal opstijgen naar de hemel, ik zal mijn troon verheffen boven de sterren van God; ik zal ook plaatsnemen op de berg van de samenkomst, aan de zijden van het noorden. Ik zal opstijgen boven de hoogten van de wolken; ik zal gelijk zijn aan de Allerhoogste” (Jes. 14:13, 14). In plaats van te proberen God de hoogste plaats te geven in de liefde en loyaliteit van Zijn schepselen, probeerde Lucifer hun dienst en hulde voor zichzelf te winnen. Deze vorst der engelen begeerde de eer die de oneindige Vader aan Zijn Zoon had geschonken. Hierdoor ambieerde hij een macht die alleen aan Christus toekwam.
De hele hemel had er vreugde in gevonden om de glorie van de Schepper te weerspiegelen en Zijn lof te verkondigen. Zolang God zo werd geëerd, heersten er overal vrede en blijdschap. Maar een valse noot verstoorde nu de hemelse harmonie. Het dienen en verhogen van het zelf ging in tegen het plan van de Schepper. Dit wekte bange vermoedens van onheil bij wezens voor wie Gods glorie het allerhoogste was.
De hemelse raad pleitte met Lucifer. De Zoon van God hield hem de grootheid, de goedheid en de rechtvaardigheid van de Schepper voor, evenals de heilige, onveranderlijke aard van Zijn wet. God Zelf had de orde van de hemel ingesteld. Door hiervan af te wijken, zou Lucifer zijn Maker onteren en zijn eigen ondergang bewerkstelligen. Maar de waarschuwing, gegeven in oneindige liefde en barmhartigheid, riep slechts een geest van weerstand op. Lucifer liet toe dat jaloezie op Christus de overhand kreeg, en hij werd alleen maar vastberadener.
Ontevredenheid in de hemel
Trots op zijn eigen heerlijkheid voedde het verlangen naar de hoogste macht. De grote eer die aan Lucifer was geschonken, werd niet gewaardeerd als een geschenk van God en riep geen dankbaarheid op naar de Schepper. Hij roemde in zijn eigen glans en verhevenheid, en ambieerde om gelijk te zijn aan God. Hij was geliefd en werd geëerd door de hemelse legermacht. Engelen voerden zijn bevelen met vreugde uit, en hij was bekleed met een wijsheid en glorie die boven hen allemaal uitsteeg.
Toch was de Zoon van God de erkende Heerser van de hemel, één in macht en gezag met de Vader. Bij alle raadsbesluiten van God was Christus een deelnemer, terwijl het Lucifer niet was toegestaan om op die manier deel te nemen aan de goddelijke plannen. “Waarom,” zo vroeg deze machtige engel zich af, “moet Christus de hoogste macht hebben? Waarom wordt Hij zo boven mij, Lucifer, geëerd?”
Lucifer verliet zijn plaats in de directe aanwezigheid van God en ging op pad om de geest van ontevredenheid onder de engelen te verspreiden. Hij werkte met een mysterieuze geheimhouding. Een tijdlang verborg hij zijn werkelijke doel achter een schijn van eerbied voor God. Ondertussen probeerde hij ontevredenheid te wekken over de wetten die de hemelse wezens bestuurden, door te impliceren dat deze een onnodige beperking oplegden. Omdat hun natuur heilig was, zo bepleitte hij, moesten de engelen de ingevingen van hun eigen wil volgen.
Hij probeerde sympathie voor zichzelf te wekken door te beweren dat God onrechtvaardig met hem was omgegaan door de hoogste eer aan Christus te schenken. Hij claimde dat hij met zijn streven naar meer macht en eer niet uit was op zelfverheerlijking. In plaats daarvan beweerde hij de vrijheid te willen waarborgen voor alle bewoners van de hemel, zodat zij langs deze weg een hoger niveau van bestaan konden bereiken.
In Zijn grote barmhartigheid had God lang geduld met Lucifer. Hij werd niet meteen uit zijn verheven positie ontzet toen hij voor het eerst toegaf aan de geest van ontevredenheid. Dat gebeurde zelfs niet toen hij zijn valse claims begon voor te leggen aan de trouwe engelen. Hij mocht nog lang in de hemel blijven. Keer op keer werd hem vergeving aangeboden, op voorwaarde van berouw en onderwerping. Er werden inspanningen geleverd die alleen oneindige liefde en wijsheid konden bedenken om hem te overtuigen van zijn misvatting.
De geest van ontevredenheid was tot dan toe volkomen onbekend in de hemel. Lucifer zag in het begin zelf niet in waarheen hij afdreef; hij begreep de werkelijke aard van zijn gevoelens niet. Maar toen werd aangetoond dat zijn ontevredenheid ongegrond was, raakte Lucifer ervan overtuigd dat hij ongelijk had. Hij zag in dat de goddelijke eisen rechtvaardig waren en dat hij dit ten overstaan van de hele hemel moest erkennen. Had hij dit gedaan, dan had hij zichzelf en vele engelen kunnen redden.
Op dat moment had hij zijn loyaliteit aan God nog niet volledig overboord gegooid. Hoewel hij zijn positie als beschuttende cherub had verlaten, zou hij in zijn ambt zijn hersteld als hij bereid was geweest om terug te keren naar God. Hij had dan de wijsheid van de Schepper moeten erkennen en genoegen moeten nemen met de plaats die hem in Gods grote plan was toegewezen. Trots weerhield hem er echter van om zich te onderwerpen. Hij bleef zijn eigen koers hardnekkig verdedigen, hield vol dat hij geen berouw nodig had en koos in de grote strijd definitief positie tegen zijn Maker.
Alle vermogens van zijn briljante geest werden nu ingezet voor misleiding. Dit deed hij om de sympathie te winnen van de engelen die onder zijn bevel hadden gestaan. Zelfs het feit dat Christus hem had gewaarschuwd en geadviseerd, werd verdraaid om zijn verraderlijke plannen te dienen. Aan degenen die door liefdevol vertrouwen het nauwst met hem verbonden waren, spiegelde Satan voor dat hij onrechtvaardig werd beoordeeld. Hij beweerde dat zijn positie niet werd gerespecteerd en dat zijn vrijheid aan banden zou worden gelegd.
Na het verdraaien van de woorden van Christus ging hij over op verdraaiing van de feiten en directe leugens. Hij beschuldigde de Zoon van God van het plan om hem te vernederen ten overstaan van de bewoners van de hemel. Ook probeerde hij een valse tegenstelling te creëren tussen zichzelf en de trouwe engelen. Iedereen die hij niet kon misleiden en volledig aan zijn kant kon krijgen, beschuldigde hij van onverschilligheid voor de belangen van de hemelse wezens. Precies het werk dat hijzelf deed, schreef hij toe aan degenen die God trouw bleven.
Om zijn beschuldiging van Gods onrechtvaardigheid jegens hem kracht bij te zetten, nam hij zijn toevlucht tot het verdraaien van de woorden en daden van de Schepper. Het was zijn strategie om de engelen te verwarren met subtiele argumenten over de plannen van God. Alles wat eenvoudig was, hulde hij in mysterie. Door listige verdraaiing zaaide hij twijfel over de meest duidelijke uitspraken van de HEERE. Zijn hoge positie, in zo’n nauwe verbinding met het goddelijke bestuur, gaf extra gewicht aan zijn beweringen. Hierdoor lieten velen zich ertoe verleiden om zich bij hem aan te sluiten in de rebellie tegen het gezag van de hemel.
Waarom het kwaad de tijd kreeg
In Zijn wijsheid stond God Satan toe om zijn werk voort te zetten, totdat de geest van ontevredenheid uitrijpte tot een actieve opstand. Het was noodzakelijk dat zijn plannen zich volledig ontwikkelden, zodat de ware aard en tendens ervan door iedereen gezien konden worden. Lucifer was als de gezalfde cherub hoog verheven; hij was zeer geliefd bij de hemelse wezens en zijn invloed op hen was groot. Gods bestuur omvatte niet alleen de bewoners van de hemel, maar van alle werelden die Hij had geschapen. Satan dacht dat als hij de engelen van de hemel kon meeslepen in rebellie, hij ook de andere werelden met zich mee kon krijgen. Hij had zijn kant van de zaak listig gepresenteerd, waarbij hij gebruikmaakte van drogredenen en bedrog om zijn doelen te bereiken. Zijn vermogen om te misleiden was zeer groot, en door zichzelf te camoufleren met een mantel van valsheid had hij een voordeel behaald. Zelfs de trouwe engelen konden zijn karakter niet volledig doorgronden, of zien waar zijn werk toe leidde.
Satan was zo hoog geëerd en al zijn daden waren zo in mysterie gehuld, dat het moeilijk was om de ware aard van zijn werk aan de engelen te onthullen. Totdat de zonde zich volledig had ontwikkeld, zou zij niet het kwaad blijken te zijn dat zij in werkelijkheid was. Tot dusver had zij geen plaats gehad in het universum van God, en heilige wezens hadden geen besef van haar aard en boosaardigheid. Zij konden de verschrikkelijke gevolgen niet overzien die zouden voortvloeien uit het terzijde schuiven van de goddelijke wet. Satan had aanvankelijk zijn werk verborgen achter een schijnbare belijdenis van loyaliteit aan God. Hij beweerde te streven naar het bevorderen van de eer van God, de stabiliteit van Zijn bestuur en het welzijn van alle bewoners van de hemel. Terwijl hij ontevredenheid inblies in de geest van de engelen onder hem, liet hij het er listig naar uitzien alsof hij juist probeerde die ontevredenheid weg te nemen. Wanneer hij aandrong op veranderingen in de orde en wetten van Gods bestuur, gebeurde dit onder het voorwendsel dat deze noodzakelijk waren om de harmonie in de hemel te bewaren.
In Zijn omgang met de zonde kon God uitsluitend gebruikmaken van rechtvaardigheid en waarheid. Satan kon gebruiken wat God niet kon: vleierij en bedrog. Hij had geprobeerd het woord van God te vervalsen en had Zijn bestuursplan verkeerd voorgesteld aan de engelen. Hij beweerde dat God niet rechtvaardig was door de bewoners van de hemel wetten en regels op te leggen. Ook stelde hij dat God, door onderwerping en gehoorzaamheid van Zijn schepselen te eisen, louter uit was op Zijn eigen verheerlijking. Daarom moest ten overstaan van zowel de bewoners van de hemel als van alle andere werelden worden aangetoond dat Gods bestuur rechtvaardig is en Zijn wet volmaakt. Satan had het doen voorkomen alsof hijzelf het welzijn van het universum probeerde te bevorderen. Het ware karakter van de indringer en zijn werkelijke doel moesten door iedereen worden begrepen. Hij moest de tijd krijgen om zichzelf door zijn slechte daden te laten zien.
De verdeeldheid die zijn eigen koers in de hemel had veroorzaakt, weet Satan aan de wet en het bestuur van God. Al het kwaad was volgens hem het gevolg van het goddelijke bestuur. Hij claimde dat het zijn doel was om de verordeningen van de HEERE te verbeteren. Daarom was het noodzakelijk dat hij de aard van zijn claims bewees en de uitwerking liet zien van de door hem voorgestelde wijzigingen in de goddelijke wet. Zijn eigen werk moest hem veroordelen. Satan had vanaf het begin volgehouden dat hij niet in opstand was. Het hele universum moest de bedrieger ontmaskerd zien.
Zelfs toen werd besloten dat hij niet langer in de hemel kon blijven, vernietigde de oneindige wijsheid Satan niet. Omdat alleen een dienst van liefde aannoombaar is voor God, moet de loyaliteit van Zijn schepselen rusten op een overtuiging van Zijn rechtvaardigheid en liefdevolle goedheid. De bewoners van de hemel en van de andere werelden waren er niet op voorbereid om de aard of de gevolgen van de zonde te begrijpen. Zij hadden op dat moment de rechtvaardigheid en barmhartigheid van God in de vernietiging van Satan niet kunnen inzien. Als hij direct uit het bestaan was weggevaagd, zouden zij God eerder uit angst dan uit liefde hebben gediend. De invloed van de bedrieger zou niet volledig vernietigd zijn, en de geest van rebellie zou niet volkomen uitgeroeid zijn. Het kwaad moest de kans krijgen om tot rijping te komen. Voor het welzijn van het hele universum door de eeuwen heen moest Satan zijn principes verder uitwerken. Zo konden zijn beschuldigingen tegen het goddelijke bestuur door alle geschapen wezens in het ware licht worden gezien. Op die manier zouden de rechtvaardigheid en barmhartigheid van God, evenals de onveranderlijkheid van Zijn wet, voor altijd buiten alle twijfel worden gesteld.
Een eeuwige les voor de schepping
Satans opstand moest een les zijn voor het universum door alle komende eeuwen heen, een voortdurend getuigenis van de aard en de verschrikkelijke gevolgen van de zonde. De uitwerking van Satans heerschappij, en de effecten daarvan op zowel mensen als engelen, zou laten zien wat de vrucht is van het terzijde schuiven van het goddelijke gezag. Het zou bewijzen dat het welzijn van alle wezens die Hij heeft gemaakt, onlosmakelijk verbonden is met het bestaan van Gods bestuur en Zijn wet. Zo zou de geschiedenis van dit vreselijke experiment van rebellie een permanente bescherming vormen voor alle heilige wezens. Het zou voorkomen dat zij misleid zouden worden over de aard van de overtreding, en hen ervoor behoeden dat zij zonde zouden begaan en de straf daarop zouden ondergaan.
Tot het absolute einde van de strijd in de hemel bleef de grote indringer zichzelf rechtvaardigen. Toen werd aangekondigd dat hij met al zijn aanhangers verbannen moest worden uit de verblijfplaatsen van gelukzaligheid, sprak de leider van de opstand openlijk zijn minachting uit voor de wet van de Schepper. Hij herhaalde zijn bewering dat engelen geen sturing nodig hadden, maar overgelaten moesten worden aan hun eigen wil, die hen altijd juist zou leiden. Hij veroordeelde de goddelijke verordeningen als een beperking van hun vrijheid en verklaarde dat het zijn doel was om de afschaffing van de wet te bewerkstelligen. Bevrijd van deze beperking zouden de hemelse legerscharen volgens hem een verhevener en glorieuzer niveau van bestaan kunnen binnengaan.
Eendrachtig gaven Satan en zijn achterban de schuld van hun opstand volledig aan Christus. Zij verklaarden dat als zij niet waren terechtgewezen, zij nooit in opstand zouden zijn gekomen. Zo kozen de aartsrebel en al zijn medestanders — hardnekkig en uitdagend in hun ontrouw, tevergeefs zwoegend om het bestuur van God omver te werpen, en tegelijkertijd lasterlijk bewerend dat zijzelf de onschuldige slachtoffers waren van een onderdrukkende macht — ervoor om door te gaan, totdat zij uiteindelijk definitief uit de hemel werden verbannen.
Dezelfde strijd op aarde
Dezelfde geest die aanzette tot opstand in de hemel, inspireert nog altijd tot opstand op aarde. Satan hanteert bij de mens nog steeds dezelfde strategie als destijds bij de engelen. Zijn geest heerst nu in de kinderen van de ongehoorzaamheid. Net als hij proberen zij de grenzen van de wet van God af te breken, en zij beloven de mens vrijheid door de overtreding van Zijn voorschriften.
Het terechtwijzen van zonde roept nog altijd een geest van haat en weerstand op. Wanneer Gods waarschuwende boodschappen het geweten raken, brengt Satan mensen ertoe zichzelf te rechtvaardigen en de sympathie van anderen te zoeken voor hun zondige levenswandel. In plaats van hun fouten te herstellen, wekken zij verontwaardiging op tegen degene die hen terechtwijst, alsof die de enige oorzaak van de problemen is. Vanaf de dagen van de rechtvaardige Abel tot in onze eigen tijd is dit de geest die getoond wordt jegens hen die de zonde durven te veroordelen.
Door exact dezelfde verkeerde voorstelling van Gods karakter te geven als in de hemel — waardoor Hij werd beschouwd als streng en tiranniek — bracht Satan de mens tot zonde. Toen hij hierin was geslaagd, verklaarde hij dat Gods onrechtvaardige beperkingen hadden geleid tot de val van de mens, net zoals ze hadden geleid tot zijn eigen opstand.
Maar de Eeuwige verkondigt Zelf Zijn karakter: “De HEERE, de HEERE God, barmhartig en genadig, lankmoedig en rijk aan goedheid en waarheid, Die barmhartigheid bewaart voor duizenden, Die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft, maar de schuldige zeker niet ongestraft laat” (Ex. 34:6, 7a).
Met de verbanning van Satan uit de hemel toonde God Zijn rechtvaardigheid en handhaafde Hij de eer van Zijn troon. Maar toen de mens had gezondigd door toe te geven aan de misleidingen van deze afvallige geest, gaf God een bewijs van Zijn liefde: Hij gaf Zijn eniggeboren Zoon over om te sterven voor het gevallen menselijk ras. In de verzoening wordt het karakter van God geopenbaard. Het machtige argument van het kruis bewijst aan het hele universum dat de zondige koers die Lucifer had gekozen, op geen enkele wijze te wijten was aan het bestuur van God.
In de strijd tussen Christus en Satan, tijdens de aardse bediening van de Heiland, werd het karakter van de grote bedrieger ontmaskerd. Niets had Satan zo effectief kunnen losrukken uit de genegenheid van de hemelse engelen en het hele trouwe universum als zijn wrede oorlogvoering tegen de Verlosser van de wereld. De brutale godslastering van zijn eis dat Christus hem hulde moest bewijzen; zijn arrogante vrijpostigheid waarmee hij Hem meenam naar de bergtop en de tinnen van de tempel; de kwaadaardige opzet die bleek uit zijn poging om Hem aan te sporen zich van de duizelingwekkende hoogte naar beneden te werpen; de rusteloze boosaardigheid waarmee hij Hem van plaats naar plaats opjoeg en de harten van priesters en het volk inspireerde om Zijn liefde af te wijzen en uiteindelijk te roepen: “Kruisig Hem! Kruisig Hem!” — dit alles wekte de verbazing en verontwaardiging van het universum op.
Het was Satan die aanzette tot de wereldwijde verwerping van Christus. De vorst van het kwaad zette al zijn macht en sluwheid in om Jezus te vernietigen. Hij zag namelijk dat de barmhartigheid en liefde van de Heiland, Zijn mededogen en meevoelende tederheid, het karakter van God aan de wereld lieten zien. Satan bestreed elke claim die de Zoon van God uitte, en gebruikte mensen als zijn werktuigen om het leven van de Heiland te vullen met lijden en verdriet. De drogredenen en valsheid waarmee hij het werk van Jezus probeerde te hinderen, de haat die tot uiting kwam via de kinderen van de ongehoorzaamheid, en zijn wrede beschuldigingen tegen Hem wiens leven een toonbeeld van ongekende goedheid was — het kwam allemaal voort uit diepgewortelde wraakzucht. De opgekropte vlammen van afgunst en boosaardigheid, haat en wraak, barstten op Golgotha los tegen de Zoon van God, terwijl de hele hemel in stil ontzet naar dit schouwspel keek.
Toen het grote offer was volbracht, steeg Christus op naar de hemel. Hij weigerde de aanbidding van de engelen totdat Hij Zijn verzoek had voorgelegd: “Vader, Ik wil dat ook zij die U Mij gegeven heeft, bij Mij zijn waar Ik ben, opdat zij Mijn heerlijkheid aanschouwen die U Mij gegeven heeft; want U heeft Mij liefgehad vóór de grondlegging van de wereld” (Joh. 17:24). Toen klonk er met onuitsprekelijke liefde en kracht een antwoord vanaf de troon van de Vader: “En laat alle engelen van God Hem aanbidden” (Hebr. 1:6b). Geen enkele vlek rustte op Jezus. Zijn vernedering was voorbij, Zijn offer voltooid, en aan Hem werd een Naam gegeven die boven alle namen is.
Het grootste offer van liefde
Nu stond de schuld van Satan vast, zonder enig excuus. Hij had zijn ware karakter als leugenaar en moordenaar geopenbaard. Het werd duidelijk dat hij exact dezelfde geest waarmee hij over de mensenkinderen heerste die onder zijn macht stonden, ook in de hemel zou hebben gemanifesteerd als men hem de bewoners daarvan had laten besturen. Hij had beweerd dat de overtreding van Gods wet vrijheid en verheffing zou brengen, maar men zag nu dat dit juist leidde tot slavernij en vernedering.
Satans leugenachtige beschuldigingen aan het adres van het goddelijke karakter en bestuur verschenen in hun ware licht. Hij had God ervan beschuldigd louter uit te zijn op Zijn eigen verheerlijking door onderwerping en gehoorzaamheid van Zijn schepselen te eisen. Ook had hij verklaard dat de Creator van ieder ander zelfverloochening eiste, maar dat Hij Zelf geen zelfverloochening kende en geen offer bracht. Nu werd echter duidelijk dat de Heerser van het universum voor de redding van een gevallen en zondig ras het grootste offer had gebracht dat de liefde maar kon brengen; “Namelijk dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoende” 2 Kor. 5:19a).
Men zag bovendien dat, terwijl Lucifer de deur voor de intrede van de zonde had geopend door zijn verlangen naar eer en oppermacht, Christus Zichzelf had vernederd en gehoorzaam was geworden tot de dood om de zonde te vernietigen.
God had Zijn afschuw over de principes van rebellie duidelijk getoond. De hele hemel zag Zijn rechtvaardigheid geopenbaard, zowel in de veroordeling van Satan als in de verlossing van de mens. Lucifer had verklaard dat als de wet van God onveranderlijk was en de straf daarop niet kon worden kwijtgescholden, iedere overtreder voor altijd uit de gunst van de Schepper moest worden buitengesloten. Hij had geclaimd dat het zondige menselijke ras niet meer te verlossen viel en daarom zijn rechtmatige prooi was.
Maar de dood van Christus was een argument ten gunste van de mens dat niet kon worden weerlegd. De straf van de wet viel op Hem die gelijk was aan God. Hierdoor stond het de mens vrij om de rechtvaardigheid van Christus te aanvaarden. Door een leven van berouw en ootmoed kan de mens nu over de macht van Satan zegevieren, zoals ook de Zoon van God heeft gezegevierd. Zo is God rechtvaardig, en tegelijk de Rechtvaardiger van iedereen die in Jezus gelooft.
Een onveranderlijke wet en eeuwige vrede
Maar Christus kwam niet louter naar de aarde om te lijden en te sterven om de verlossing van de mens te bewerkstelligen. “De HEERE heeft behagen in hen omwille van Zijn rechtvaardigheid; Hij zal de wet groot maken en haar eervol maken” (Jes. 42:21). Hij maakte de wet niet alleen groot en eervol opdat de bewoners van deze wereld de wet zouden beschouwen zoals zij beschouwd moet worden, maar ook om aan alle werelden van het universum te bewijzen dat Gods wet onveranderlijk is. Als de eisen van de wet terzijde geschoven hadden kunnen worden, dan had de Zoon van God Zijn leven niet hoeven te geven om voor de overtreding ervan te boeten. De dood van Christus bewijst dat zij onveranderlijk is. En het offer waartoe oneindige liefde de Vader en de Zoon bewoog om zondaars te verlossen, bewijst aan het hele universum dat rechtvaardigheid en barmhartigheid het fundament vormen van de wet en het bestuur van God. Niets minder dan dit verzoeningsplan had hiervoor kunnen volstaan.
Bij de uiteindelijke voltrekking van het oordeel zal blijken dat er geen enkele reden voor de zonde bestaat. Wanneer de Rechter van de hele aarde van Satan zal eisen: “Waarom bent u tegen Mij in opstand gekomen en heeft u Mij beroofd van de onderdanen van Mijn koninkrijk?”, zal de grondlegger van het kwaad geen verontschuldiging kunnen aanvoeren. Elke mond zal worden gesnoerd, en de hele legermacht van de rebellie zal sprakeloos zijn.
Het kruis van Golgotha verklaart dat de wet onveranderlijk is, en verkondigt tegelijkertijd aan het universum dat het loon van de zonde de dood is. In de laatste uitroep van de Heiland, “Het is volbracht” (Joh. 19:30), luidde de doodsklok voor Satan. De grote strijd die al zo lang gaande was, werd toen beslecht, en de definitieve uitroeiing van het kwaad werd daarmee zekergesteld. De Zoon van God ging door de poorten van het graf, “opdat Hij door de dood hem zou vernietigen die de macht over de dood had, dat is de duivel;” (Hebr, 2:14). Lucifers verlangen naar zelfverheerlijking had hem ertoe gebracht te zeggen: “Ik zal opstijgen naar de hemel, ik zal mijn troon verheffen boven de sterren van God; ik zal ook plaatsnemen op de berg van de samenkomst, aan de zijden van het noorden.” “Ik zal opstijgen boven de hoogten van de wolken; ik zal gelijk zijn aan de Allerhoogste” (Jes. 14:13, 14)
Maar God verklaart: “U heeft uw heiligdommen ontwijd door de veelheid van uw ongerechtigheden, door de ongerechtigheid van uw handel; daarom zal Ik een vuur uit uw midden doen voortkomen, dat u zal verteren, en Ik zal u tot as maken op de aarde voor de ogen van allen die u aanschouwen. Allen die u kennen onder de volken zullen zich over u ontzetten; een schrikbeeld bent u geworden, en u zult er nooit meer zijn” (Ezech. 28:18, 19). “Wanneer de dag komt, brandend als een oven; en alle hoogmoedigen, ja, ieder die goddeloos handelt, zal als stoppels zijn; en de dag die komt zal hen verbranden, zegt de HEERE van de legerscharen, zodat er voor hen geen wortel of tak zal overblijven” (Mal. 4:1).
Het hele universum zal getuige zijn geweest van de aard en de gevolgen van de zonde. Haar totale uitroeiing, die in het begin angst zou hebben gebracht bij de engelen en oneer voor God, zal nu Zijn liefde rechtvaardigen en Zijn eer bevestigen ten overstaan van een universum van wezens die er een vreugde in vinden om Zijn wil te doen, en in wier hart Zijn wet is. Nooit meer zal het kwaad zich manifesteren. Het Woord van God zegt: “Wat bedenkt u tegen de HEERE? Hij zal er een volledig einde aan maken; de benauwdheid zal niet voor de tweede keer opkomen” (Nahum 1:9).
De wet van God, die door Satan werd beschimpt als een juk van slavernij, zal worden geëerd as de wet van de vrijheid. Een geteste en beproefde schepping zal zich nooit meer afkeren van haar loyaliteit aan Hem wiens karakter zich volledig aan hen heeft geopenbaard als peilloze liefde en oneindige wijsheid.