Gods tedere zorg
Breng uw behoeften, uw vreugde, uw verdriet, uw zorgen en uw angsten voortdurend voor God. U kunt Hem niet overladen; u kunt Hem niet vermoeien. Hij Die de haren van uw hoofd telt, is niet onverschillig voor de behoeften van Zijn kinderen. “De Heer is zeer barmhartig en vol mededogen.” (Jak. 5:11). Zijn liefdevolle hart wordt geraakt door ons verdriet, en zelfs door de manier waarop wij dat verwoorden. Breng alles wat de geest verward maakt naar Hem toe. Niets is te groot voor Hem om te dragen, want Hij houdt werelden in stand en bestuurt alle aangelegenheden van het universum. Niets wat op enigerlei wijze ons innerlijke vrede raakt, is te klein voor Hem om op te merken. Er is geen hoofdstuk in onze levenservaring te donker voor Hem om te lezen; er is geen verwarring te ingewikkeld voor Hem om te ontrafelen. Geen rampspoed kan het geringste van Zijn kinderen treffen, geen bezorgdheid kan de ziel kwellen, geen vreugde kan het hart opvrolijken, en geen oprecht gebed kan de lippen ontsnappen, zonder dat onze hemelse Vader het opmerkt of er direct belangstelling voor toont. “Hij geneest de gebrokenen van hart en verbindt hun wonden” (Ps. 147:3). De relatie tussen God en elke afzonderlijke ziel is zo uniek en volkomen alsof er geen andere ziel op aarde was om Zijn zorgzame waakzaamheid te delen, en geen andere ziel voor wie Hij Zijn geliefde Zoon gaf.
Jezus zei: “Op die dag zult u in Mijn Naam bidden, en Ik zeg u niet dat Ik de Vader voor u zal vragen; want de Vader Zelf heeft u lief.” “Ik heb u uitgekozen, opdat alles wat u de Vader vraagt in Mijn Naam, Hij u dat geeft” (Joh. 16:26, 27; 15:16). Maar bidden in de Naam van Jezus is meer dan alleen het noemen van die Naam aan het begin en het einde van een gebed. Het is bidden in de gezindheid en de Geest van Jezus, terwijl we Zijn beloften geloven, op Zijn genade vertrouwen en Zijn werken doen.
God bedoelt niet dat iemand van ons een kluizenaar of monnik moet worden en zich uit de wereld moet terugtrekken om zich aan uitingen van aanbidding te wijden. Het leven moet zijn als het leven van Christus — tussen de berg en de menigte. Wie niets anders doet dan bidden, zal al snel ophouden met bidden, of zijn gebeden zullen verworden tot een formele routine. Wanneer mensen zich terugtrekken uit het sociale leven, weg van het terrein van de christelijke plicht en het dragen van het kruis; wanneer zij ophouden met ijverig te werken voor de Meester, Die ijverig voor hen werkte, verliezen zij de inhoud van het gebed en hebben zij geen drijfveer meer voor toewijding. Hun gebeden worden persoonlijk en zelfzuchtig. Zij kunnen niet bidden met het oog op de behoeften van de mensheid of de opbouw van Christus’ koninkrijk, pleitend voor kracht om mee te werken.