Ons besef van onze afhankelijkheid

Als we te rade gaan bij onze twijfels en angsten, of proberen alles wat we niet helder kunnen zien op te lossen voordat we geloof hebben, zullen de onzekerheden alleen maar toenemen en dieper worden. Maar als we tot God komen in het besef dat we hulpeloos en afhankelijk zijn, zoals we in werkelijkheid ook zijn, en in nederig, vertrouwend geloof onze behoeften bekendmaken aan Hem wiens kennis oneindig is, Die alles in de schepping ziet en Die alles bestuurt door Zijn wil en woord, dan kan en zal Hij acht slaan op ons geroep en licht in ons hart laten schijnen. Door een oprecht gebed worden we in verbinding gebracht met de geest van de Oneindige. We hebben op dat moment misschien geen opmerkelijk bewijs dat het aangezicht van onze Verlosser zich in mededogen en liefde over ons heen buigt, maar dat is desondanks wel zo. We voelen Zijn tastbare aanraking misschien niet, maar Zijn hand rust op ons in liefde en ontfermende tederheid.

Wanneer we tot God komen om barmhartigheid en zegen te vragen, moeten we een geest van liefde en vergeving in ons eigen hart hebben. Hoe kunnen we bidden:
“Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij onze schuldenaren vergeven,” (Matt. 6:12) en tegelijkertijd een onverzoenlijke geest koesteren? Als we verwachten dat onze eigen gebeden verhoord worden, moeten we anderen vergeven op dezelfde manier en in dezelfde mate als we zelf hopen vergeven te worden.

Volharding in het gebed is tot een voorwaarde gemaakt voor het ontvangen ervan. We moeten altijd bidden als we willen groeien in geloof en ervaring. We moeten “volharden in het gebed”, “en daarin waakzaam zijn met dankzegging” (Rom. 12:12; Kol. 4:2). Petrus vermaant gelovigen om “nuchter te zijn en waakzaam in de gebeden” (1 Petr. 4:7). Paulus draagt op: “Laat uw verlangens in alles door gebed en smeking, met dankzegging, bekend worden bij God” (Filipp. 4:6). “Maar u, geliefden,” zegt Judas, “terwijl u bidt in de Heilige Geest, bewaar uzelf in de liefde van God” (Jud. 20, 21). Onophoudelijk gebed is de ononderbroken eenheid van de ziel met God, zodat het leven van God in ons leven stroomt; en vanuit ons leven stromen zuiverheid en heiligheid weer terug naar God.




“Daarom zeg Ik u: alles wat u biddend begeert, geloof dat u het ontvangen zult, en het zal u ten deel vallen. En wanneer u staat te bidden, vergeef als u tegen iemand iets hebt, opdat ook uw Vader, Die in de hemelen is, u uw overtredingen vergeeft.”

— Mark. 11: 24, 25



“Daarom zeg Ik u: alles wat u biddend begeert, geloof dat u het ontvangen zult, en het zal u ten deel vallen. En wanneer u staat te bidden, vergeef als u tegen iemand iets hebt, opdat ook uw Vader, Die in de hemelen is, u uw overtredingen vergeeft.”

— Mark. 11: 24, 25

Waar moeten we bidden

Volgende onderdeel van
“Het voorrecht van gebed”

Vorige
Inleiding
Volgende
Scroll to Top
Home