De ware aard van bekering
Er zijn velen die de ware aard van bekering niet begrijpen. Menigten hebben er verdriet van dat ze gezondigd hebben en voeren zelfs een uiterlijke hervorming door, omdat ze bang zijn dat hun misstappen hun lijden zullen brengen. Maar dit is geen bekering in de Bijbelse betekenis. Zij beklagen het lijden eerder dan de zonde. Dat was ook het verdriet van Ezau toen hij zag dat het eerstgeboorterecht voorgoed voor hem verloren was. Bileam, doodsbang voor de engel die met getrokken zwaard op zijn pad stond, erkende zijn schuld om zijn leven niet te verliezen; maar er was geen oprechte bekering van zonde, geen verandering van voornemen, geen afschuw van het kwaad.
Nadat Judas Iskariot zijn Heer had verraden, riep hij uit: “Ik heb gezondigd door onschuldig bloed te verraden” (Matt. 27:4). Zijn bekentenis werd hem afgedwongen door een diep gevoel van schuld en angst voor het oordeel. De gevolgen maakten hem doodsbang, maar hij voelde geen oprecht, diep verdriet over het verraden van de zondeloze Zoon van God. Ook de farao erkende zijn zonde pas toen Gods plagen hem troffen, puur om aan de straf te ontkomen. Zodra de plagen stopten, daagde hij de hemel weer uit. Al deze mensen klaagden over de gevolgen van hun zonde, maar hadden geen echt berouw over de zonde zelf.
Kernpunt
• Angst versus berouw
Veel mensen verwarren de angst voor straf met waar berouw. Ze veranderen hun gedrag tijdelijk uit angst voor de pijnlijke gevolgen, maar zodra die dreiging wegvalt, vervallen ze in hun oude gedrag. Dit is geen ware bekering. Ware bekering gaat namelijk niet om angst voor straf, maar om een diepe afkeer van de zonde zelf en een echt veranderd hart. De levens van Ezau, Judas en de farao zijn hier treffende voorbeelden van, zij hadden slechts angst voor de straf zonder dat hun hart veranderde.
Wat Jezus ons wil geven
Volgende onderdeel van
“Wat is bekering?”