Geopenbaard aan de discipelen
Laten wij de woorden bestuderen die Christus sprak in de bovenzaal, in de nacht vóór Zijn kruisiging. Hij naderde het uur van Zijn beproeving, en Hij wilde Zijn discipelen te troosten, die zo zwaar op de proef gesteld en verzocht zouden worden.
De discipelen begrepen de woorden van Christus omtrent Zijn relatie tot God toen nog niet. Veel van Zijn onderwijs was voor hen nog niet duidelijk. Christus verlangde ernaar dat zij een duidelijkere, meer uitgesproken kennis van God zouden hebben.
Toen op de Pinksterdag de Heilige Geest werd uitgestort op de discipelen, begrepen zij de waarheden die Christus in gelijkenissen had gesproken vollediger. Veel van het onderwijs dat voor hen een mysterie was geweest, werd verduidelijkt. Maar zelfs toen ontvingen de discipelen nog niet de volledige vervulling van Christus’ belofte. Zij ontvingen alle kennis van God die zij konden dragen, maar de volledige vervulling van de belofte dat Christus hun openlijk van de Vader zou vertellen, moest nog komen.
Zo is het ook vandaag. Onze kennis van God is gedeeltelijk en onvolmaakt. Wanneer de strijd is gestreden, en de Mens Christus Jezus voor de Vader Zijn getrouwe arbeiders erkent, die in een wereld van zonde een waarachtig getuigenis voor Hem hebben afgelegd, zullen zij helder begrijpen wat nu nog mysteries voor hen zijn.
Christus nam Zijn verheerlijkte menselijkheid met Zich mee naar de hemelse hoven. Aan degenen die Hem aannemen, geeft Hij de macht om kinderen van God te worden, opdat God hen als de Zijne mag ontvangen, om tot in alle eeuwigheid bij Hem te wonen. Als zij tijdens dit leven loyaal zijn aan God, zullen zij dan “Zijn aangezicht zien; en Zijn naam zal op hun voorhoofd zijn”. Opb. 22:4. En wat is het geluk van de hemel anders dan God te zien? Welke grotere vreugde zou de zondaar, gered door de genade van Christus, ten deel kunnen vallen dan het aangezicht van God te zien en Hem te kennen als Vader?
De Schriften wijzen heel duidelijk op de relatie tussen God en Christus, en zij laten even duidelijk de persoonlijkheid en de individualiteit van ieder afzonderlijk zien.
De persoonlijkheid van de Vader en de Zoon, en ook de eenheid die tussen Hen bestaat, worden gepresenteerd in het zeventiende hoofdstuk van Johannes, in het gebed van Christus voor Zijn discipelen:
De eenheid tussen Christus en Zijn volgelingen doet de eigen persoonlijkheid van geen van beiden teniet. Zij zijn één in streven, in gedachten en in karakter, maar niet in persoon. Dit is precies hoe ook God en Christus één zijn.
Kernpunten
• Christus onze Trooster
Toen het zware uur voor Christus aanbrak, wilde Hij Zijn leerlingen bemoedigen, omdat hen grote moeilijkheden en verzoekingen stonden te wachten. Christus is onze Trooster en Overwinnaar, omdat Hij als mens net als wij geleden heeft onder de zonde, echter zonder te zondigen.